
Er zijn natuurlijk uitzonderingen: als je broer of zus of een vriend of vriendin doodgaat, of nog erger: één van je ouders. Of het ergste: je beide ouders. Dan slaat de weemoed toe.
Maar in het, neem me dat woord niet kwalijk, normale geval grijpt zulks niet plaats. Er zijn natuurlijk ook vele tienduizenden gevallen, zoals ikzelf, met klachten van suïcidaal-depressieve aard. Die mensen denken bijna voortdurend aan de eigen dood.
Denkt u nu niet dat wij uitzonderingen zijn. Jaarlijks zijn er 1500 geslaagde zelfmoorden in Nederland, in België is dat het dubbele aantal. Die 1500 doden zijn er meer dan de slachtoffers van geweld en van het verkeer samen.
‘Daar moeten wij iets aan doen!’ roept u nu. Ja, maar wat, in hemelsnaam?
Ikzelf heb enige troost gevonden bij deze simpele redenering. Wie ben ik? Hoe ben ik er gekomen? Doordat toevallig dat éne van die miljoenen zaadjes zijn weg vond naar het eitje in mijn moeders buik. Dat ik geworden ben zoals ik geworden ben, is dus uiterst toevallig. Ik had evengoed die zwartharige crimineel kunnen worden, of die blonde Olympische roeikampioene met een slecht hart, die sterft op haar 31ste jaar.
Niets van dat alles. Ik ben ik geworden, door nature (‘het genenspel,’ zoals ik eens een geleerde het heb horen noemen) en culture (Karel van het Reve, Vladimir Nabokov, oude muziek, Alice). Ik zal het ermee moeten doen.
Alice is dood en ik heb geprobeerd eenzelfde soort redenering te vinden die het gemis wat draaglijker zou kunnen maken. Zo een redenering bestaat niet, ik kan hem althans niet vinden. Je kunt dan ook nog bij een rouwverwerker op bezoek gaan, maar dat is mijn stijl niet. Ik heb al teveel shrinks gezien in mijn leven. Je kunt een verlies niet wegbranden uit je leven, dat verlies moet langzaam uitdoven, geloof ik.