vrijdag 3 februari 2012

320. Keurig in het pak

Vroeger had je zondagse kleren. Dat was normaal als je uit het milieu komt waar ik uit kom. Mijn vader was loodgieter, mijn buren waren huisschilder, bloembollenboer, timmerman en metselaar. Die droegen van maandag t/m zaterdag hun werkkleding. ’s Zondags hadden ze vrij en moesten ze naar de kerk. Bij de man van de Boerenleenbank merkte je het verschil niet zo. ‘Die werkt op kantoor,’ luidde de verklaring.
De vrouwen droegen zondags ook hun allerbeste kledij, ze bedekten hun hoofd met een hoedje of een kleurig hoofddoekje, ze droegen een polshorloge en ze droegen een tasje. Wat daar in zat, ben ik nooit te weten gekomen. Voor ons kinderen werd ook gezorgd: op zondag droegen mijn zusjes ándere jurkjes dan de doordeweekse dingetjes. Ik weet niet meer of ik bijvoorbeeld een speciale jas of speciale korte broek of trui heb gehad, die ik alleen ’s zondags aantrok.
Toen ik mijn Eerste Communie moest doen, kreeg ik een matrozenpakje aan. Ik vond het direct al een belachelijke dracht en mijn weerzin tegen het katholieke geloof moet in die tijd al zijn ontstaan: ‘Als je voor dat geloof zulke kleren aan moet trekken, dan is er iets grondig mis mee!’
En nog steeds heb ik een hekel aan die verkleedpartijen. Ik ga altijd gekleed in een zwarte, blauwe of grijze broek, een trui en daaronder een overhemd. Als ik geen trui draag, heb ik een jasje aan. Geen ringen, geen armbanden, geen oorbellen, geen haarbanden of tatoeëringen, geen horloge. In mijn linkerbroekzak zitten mijn sleutels, in mijn rechter zit papiergeld, in mijn linker jaszak zit wat muntgeld. In mijn rechter jaszak zitten miscellanea zoals een boodschappenbriefje, een briefje met aan te schaffen boektitels of het briefje voor de trombosedienst. Zo loop ik er al veertig jaar lang bij.
Ik heb me in mijn dromen, herinner ik me nu, wel eens voorgesteld als hoofdrolspeler in een Nederlandse film. Ook het stuntwerk kwam voor mijn rekening. Tijdens de première van de film (Tuschinsky, rode loper, veel pers en fotografen) loop ik, omstuwd door het publiek, naar binnen. Iemand roept mij: ‘Hoogeboom!’ ‘Ja?’ antwoord ik. ‘Hoogeboom, kijk eens om je heen!’ Ik kijken en ik zie mijn medespelers in hun smokings en vrouwen in hun niemendalletjes, waar het in Nederland toch 11 maanden van het jaar te koud en te winderig voor is. ‘Dat is allemaal flauwekul!’ roep ik terug tegen de stem. Onmiddellijk keert de cast van de film zich tegen mij. Waarom doen ze dat? Dat weet ik niet. Het kan zijn omdat ik in mijn gewone kloffie ben.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen