maandag 2 augustus 2010

265. Dat is mijn stijl niet

- Het is al een paar jaar mijn gewoonte om minstens één stukje per dag te schrijven, maar de afgelopen dagen is het er niet van gekomen.
- Hoe kwam dat, jongen?
- Dat weet ik niet, ik had er gewoon geen zin in.
- Zo krijgen we natuurlijk nooit een nieuw stukje. Wees eens wat preciezer.
- Ik had vanaf woensdag of donderdag hangdagen.
- En wat zijn dat?
- Dagen waarop je maar wat rondhangt in huis. Je zet de tv aan, maar je kijkt er eigenlijk niet naar. Je pakt een boek, maar je onthoudt niet wat je gelezen hebt. Je zet je computer aan en je kijkt maar wat in het rond. Eigenlijk zit je je de hele dag te vervelen. Je hebt nergens interesse in, en je doet niets.
- Voorbode van een depressie, waarvoor je nog steeds bang bent?
- Dat dacht ik ook, dat dat het was. Maar mijn verstandige zus M. denkt dat het ook dit kan zijn. Een andere zus, R., had in 2005 plotseling haar man verloren. M. zei dat ze R. had horen zeggen dat die gelukkig het bed uit moest, louter voor de kinderen. Zoiets zou ik ook kunnen hebben. Dus dan is het normale rouwverwerking, daar maakt het onderdeel van uit.
- Je bent nu weer aardig hopsasa.
- Ja.
- Hoe komt dat?
- Dat komt, denk ik, door een filmpje dat gisteravond op de tv te zien was in Zomergasten. Maarten ’t Hart had een avond samengesteld zoals je een roman opbouwt, met een goede afwisseling van neutrale stukjes, vrolijke stukjes en kwade stukjes. Afijn, ik zet koffie voor mezelf, en ik kom terug, begint net dat filmpje over die drie Duitse herdershonden in die Engelse pub. De eigenaar van die pub en die herdershonden houdt een flesje spuitwater klaar, terwijl die drie honden al met hun koppen en voorpoten op de bar hangen. Begint die man namaak-Japans te praten tegen die drie honden en spuit hij water in hun bekken. Ze vonden het heerlijk, dat kon je duidelijk zien, en het was zo ontzettend grappig!
- Dan begrijp ik nu waar die koffievlek op je tapijt van komt.

woensdag 28 juli 2010

264. Dat weet je later pas

Als je achttien of twintig jaar bent, denk je nog niet aan de dood. Er kan wel eens iemand doodgaan, maar dat brengt je er nog niet toe over de dood na te denken. Meestal is het een opa of oma geweest, die doodging. Daar valt wel overheen te komen.
Er zijn natuurlijk uitzonderingen: als je broer of zus of een vriend of vriendin doodgaat, of nog erger: één van je ouders. Of het ergste: je beide ouders. Dan slaat de weemoed toe.
Maar in het, neem me dat woord niet kwalijk, normale geval grijpt zulks niet plaats. Er zijn natuurlijk ook vele tienduizenden gevallen, zoals ikzelf, met klachten van suïcidaal-depressieve aard. Die mensen denken bijna voortdurend aan de eigen dood.
Denkt u nu niet dat wij uitzonderingen zijn. Jaarlijks zijn er 1500 geslaagde zelfmoorden in Nederland, in België is dat het dubbele aantal. Die 1500 doden zijn er meer dan de slachtoffers van geweld en van het verkeer samen.
‘Daar moeten wij iets aan doen!’ roept u nu. Ja, maar wat, in hemelsnaam?
Ikzelf heb enige troost gevonden bij deze simpele redenering. Wie ben ik? Hoe ben ik er gekomen? Doordat toevallig dat éne van die miljoenen zaadjes zijn weg vond naar het eitje in mijn moeders buik. Dat ik geworden ben zoals ik geworden ben, is dus uiterst toevallig. Ik had evengoed die zwartharige crimineel kunnen worden, of die blonde Olympische roeikampioene met een slecht hart, die sterft op haar 31ste jaar.
Niets van dat alles. Ik ben ik geworden, door nature (‘het genenspel,’ zoals ik eens een geleerde het heb horen noemen) en culture (Karel van het Reve, Vladimir Nabokov, oude muziek, Alice). Ik zal het ermee moeten doen.
Alice is dood en ik heb geprobeerd eenzelfde soort redenering te vinden die het gemis wat draaglijker zou kunnen maken. Zo een redenering bestaat niet, ik kan hem althans niet vinden. Je kunt dan ook nog bij een rouwverwerker op bezoek gaan, maar dat is mijn stijl niet. Ik heb al teveel shrinks gezien in mijn leven. Je kunt een verlies niet wegbranden uit je leven, dat verlies moet langzaam uitdoven, geloof ik.

dinsdag 27 juli 2010

263. Zeg maar wat ik moet schrijven

Ik kan nu niet slapen, het is kwart voor vijf in de ochtend. Niemand is nog op, de vogels zijn ook nog niet wakker, maar die verwacht ik straks wel. Ik heb de hele nacht wakker gelegen met dit probleem: hoe kan het dat ik in de jaren zestig van de vorige eeuw een fan werd van de Beatles, de Stones, de Who?
Terwijl er op hetzelfde moment veel interessanter muziek werd gemaakt. Miles Davis, John Coltrane. De muziek van de Beatles enzovoorts, dat was kinderspel als je het vergelijkt met Miles Davis.
Hoe kan het je dus zijn ontgaan? Je kunt zeggen: het kwam nooit op de radio. Maar dat is mij een te eenvoudige verklaring. Hoe kan het dat je de drummer van de Who zo vreselijk goed vond, terwijl er in de jazzmuziek wel honderd rondliepen die beter waren?
(De eerste vogels beginnen nu melodieën te maken, kwart over vijf.)
Hoe kan dat? Het kan natuurlijk zijn dat je toen, op 14- of 15-jarige leeftijd, alleen maar behoefte had aan luide, duidelijke, simpele muziek. Aan kinderachtige muziek. Want daar hielden ook al je leeftijdgenoten van. Je wilde geen outcast zijn.
Ik denk dat het toch iets anders zit. Ik houd al meer dan dertig jaar van klassieke muziek, maar ik kan Mozart niet uitstaan. Ik houd eenvoudig niet van zijn geteem en zijn gepriegel. Geef mij maar Bach, of desnoods Händel.
Maar zelfs Bach en Händel en Zelenka verbleken voor mij bij de echt groten: Byrd, Tomkins, Ockeghem, Dufay. Laat The Tallis Scholars op een podium klimmen, laat ze zingen, en ik ben echt gelukkig!
Het heeft te maken met een wijder uitzicht, geloof ik. Mick Jagger kan niet op tegen Miles Davis. Haydn kan niet op tegen Guillaume Dufay. Dat weet je eerst niet, maar zo is het wel. Dat weet je later pas. Dat leer je.

maandag 26 juli 2010

262. ‘Kom toch binnen, meneer!’

Van 1983 tot 1998 heb ik gewoond in een zomerhuisje dat achter een boerderij stond te Egmond aan den Hoef. Het is 4 kilometer vanwaar ik nu woon. In die boerderij was toentertijd Galerie Wimmenum gevestigd. In 1998 is die galerie opgeheven en is de boerderij verkocht aan een of andere chirurg. Ook ik moest uit mijn zomerhuisje, zo gaan die dingen.
Eigenaar van Galerie Wimmenum was Pieter Pop. Hij kon niet lezen of schrijven en dat was wel wat lastig. Hij kon wel met getallen overweg, maar lezen en schrijven had hij nooit op school gehad. In juni 1984 kwam Pieter naar me toe. Hij zei dat hij een maandblad wilde maken. Kon ik daar niet iets voor schrijven? Ik zei: ja hoor. Zeg maar wat ik moet schrijven, en dan schrijf ik dat. Het draaide er op uit dat ik een jaar of zes lang elke maand dat blad in elkaar zette en volschreef. Dat deed ik ’s avonds, op de drukkerij waar ik toen werkte.
Ook paste ik af en toe op de winkel, zoals ik het noemde, als Pieter iets moest halen of brengen. Ik raakte bekend met allerlei kunstenaars en könstenaars, als u begrijpt wat ik wil zeggen, en kocht ook een aantal schilderijen, tekeningen en etsen, die nog steeds bij me aan de wanden hangen.
Op een zaterdagmiddag paste ik weer eens op de winkel. Pieter had gezegd dat er een kunstenaar zou langskomen, ene Gerard van der Weert. Die moest ik maar opvangen, Pieter zou over twee uur terug zijn. Ik houd wel van dat soort eenvoudige klusjes, er hing bovendien mooi werk van Suzanne Bijl in de galerie. Ik herinner me een olieverfje dat ‘Daphne, dansend’ heette. Een verkeerde titel natuurlijk, beter is ‘Daphne danst’. (Over de betiteling van kunstwerken kom ik nog wel eens te spreken.)
Het regende hard buiten. Er was weinig bezoek. Op een gegeven moment komt er een totaal verregende man het erf op. Hij weet niet waar hij moet zijn, dus ik open de deur en zeg: ‘Kom toch binnen, meneer!’
‘Nee nee,’ antwoordt hij.
‘Bent u de heer Van der Weert?’ vraag ik.
‘Ik?’ vraagt hij terug.
‘Ja, u.’
‘Ik ben Gerardus van der Weert, ja.’
‘Ik moest u opvangen van Pieter Pop.’
‘O. Dat verandert de zaak!’
Hij kwam met Pieter overleggen over de prijs van een tentoonstelling. Ik kan me zijn werk niet meer herinneren, hoewel ik er nog over geschreven heb. Een könstenaar dus.

zondag 25 juli 2010

261. Gewijde rust

Ik ben dit jaar nu eens niet met vakantie naar het buitenland gegaan, ik ben in Nederland gebleven. Genoeg mooie plekjes te vinden, even mooi als Venetië of Barcelona. Het landelijke Dirkswoud bijvoorbeeld is ‘een ideale vakantiebestemming’.
Op camping De Gietelaar van de heer en mevrouw Verbons, Noordvaart 138, is altijd plaats. Er staan wat stacaravans op het veldje achter hun boerderij, en mijn éénpersoons tentje kon er gemakkelijk bij. Op het aanbod van mevrouw Verbons om in de boerderij te komen slapen, ben ik wijselijk niet ingegaan.
Op die ene nacht na, toen het in het Noordhollandse zo hard regende en onweerde. De staldeur ging open en daar verscheen mevrouw Verbons die me toeschreeuwde: ‘Kom toch binnen, meneer!’
Ik naar binnen, kopje koffie met een stroopwafel, en hup naar bed. Dat wil zeggen, ik kreeg een tamelijk krappe bedstee toegewezen. De heer en mevrouw Verbons waren gelegen in bedstee nummer twee, niet ver van mijn bedstee af.
Ik heb niet geslapen, die nacht. Niet alleen onweerde het, ook hoorde ik vreemd geritsel boven me, ik hoorde ook ‘Ka ka!’ roepen door een vogel. Maar ik hoorde in de duisternis vooral mevrouw Verbons. Ze bidde eerst een Onze Vader, dat ze aldus eindigde: ‘En leid ons niet in bekoring, maar verbind ons met het kwade.’ Ze giechelde even en ging verder: ‘Henk? Hénk!’
‘Ja, wat is er? Ik moet morgenochtend om zes uur de koeien weer melken. Ga slapen, Aleida!’
‘Ik wil alleen maar even op je gaan zitten.’
‘Oké dan. Even.’
Ik hoorde enige geluiden. Toen weer: ‘Henk! Hénk!!’
‘Wat is er nou weer?’
‘Als je wilt slapen, dat is goed. Dan ga ik een deur verder.’
Weer enige geluiden. ‘Ka ka!’ klonk het boven me. Geritsel, geschuifel, en toen stond Aleida naakt voor mijn bedstee.
Je maakt wat mee in vakantieland Nederland!

zaterdag 24 juli 2010

260. Een lastig onderwerp

In de gemeenteraad van het landelijke Dirkswoud ging het hard tegen hard, de afgelopen week. Wat was er aan de hand? De heer Huub Evenblij wou beginnen met een rondvaartboot, die door de Noordvaart zou varen. Gewoon heen en weer. Toen kwam er een vraag van Restaurant Klaver, Noordvaart 134: zou die rondvaartboot niet kunnen stoppen bij mijn restaurant? De heer Evenblij zegde dit toe.
Restaurant Klaver ligt naast het R.K. kerkhof, en pastoor Engelbertus maakt bezwaar, want zo’n rondvaartboot die vlakbij je kerkhof aanmeert en al die mensen die uit- en daarna weer instappen, bedreigen de gewijde rust die nu eenmaal noodzakelijk is op een begraafplaats.
Twee partijen dus: de heren Evenblij en Klaver enerzijds, die hun gasten een etentje willen aanbieden tijdens de rondvaart, en pastoor Engelbertus anderzijds die dat niet wil vanwege dat kerkhof.
Pastoor Engelbertus nam contact op met Restaurant Gastrolily, twaalf huizen verderop. Mevrouw De Smet zou zeker ‘op gezette tijden een aantal gasten willen ontvangen’, maar dit was voor de heer Evenblij een te onzeker aanbod. Hij bleef bij Klaver staan. ‘Bovendien is het veel gemakkelijker om een afmeersteiger aan te leggen bij Restaurant Klaver,’ meende hij.
Uiteindelijk zijn de twee partijen tot elkaar gekomen. De heer Evenblij mag afmeren bij het kerkhof, als hij eerst een geluidswal van 2.50 meter hoogte rond het kerkhof aanlegt, plus een hek op die geluidswal, om te verhinderen dat de toeristen hun meegebrachte eetwaren, papiertjes en plastic waterflessen op het kerkhof gooien.
Over de hoogte van het hek wordt nog onderhandeld.

vrijdag 23 juli 2010

259. U zult er uw handen bij opeten

(Verslag eerste vergadering redactie nieuw internettijdschrift.)
Voorz.: Zijn we er allemaal? Kees,Marianne, Olof, Pierre, Margrietje, jij ook welkom, Anton, Klaas, meneer Verwelle, Karin, Ter Waap, Wim? Dan open ik deze vergadering. De eerste vraag is natuurlijk: hoe moet ons internettijdschrift gaan heten. Wie wil over dit onderwerp het woord voeren?
Ter Waap: Het is een lastig onderwerp, zeker, maar daar moeten we uit kunnen komen. Als we elkaar maar respecteren, bedoel ik. Respect!
Margrietje: Dat vind ik ook, voorzitter.
Olof: Maar niet tevéél respect, vind ik toch.
Wim: Daar heb je gelijk in, Olof. Teveel respect is niet goed. Als je teveel respect voor iemand of iets hebt, verlies je jezelf.
Marianne: Hoezo, Wim?
Voorz.: De náám van ons tijdschrift, mensen!
Meneer Verwelle: Wat dachten jullie van een naam als De Kluis?
Pierre: Nee, een kluis is iets om in op te sluiten. Juwelen en zo. Dat is niet wat we willen met ons tijdschrift.
Meneer Verwelle: Oké, dan houd ik me verder buiten de discussie.
Voorz.: Iemand anders nog een idee?
Klaas: Is een naam als Luis misschien iets?
Kees: Luis in de pels van de maatschappij. Nee. Kluif is misschien beter.
Anton: Ik ben meer geöriënteerd op de klassieke wereld, dus ik zou zeggen: Zeus.
Pierre
: Wij willen misstanden aankaarten in deze ingewikkelde wereld. En die zijn er genoeg. Die Bert Koenders bijvoorbeeld. Of die Jack de Vries. Wat doen dat soort mensen nu?
Voorz.: Die richten allerhande bedrijfjes op. Management en zo, statusbehoudsbehandeling. De ideale vorm van ijdeltuiterij.
Pierre: Inderdaad, en daar moeten wij ons tegen verzetten. Noem ons magazine dus: Pluis.

dinsdag 20 juli 2010

258. Als er geen weg terug meer is

Ik leef in betrekkelijke eenzaamheid, en zo heb ik mijn hele leven doorgebracht. Op de laatste vier jaar na. Toen heb ik een vrouw bemind: Alice. Ze is nu alweer anderhalve maand geleden doodgegaan.
Ik denk dagelijks aan haar terug, of zeg maar gerust: uurlijks. Ik denk terug aan de maaltijden die ik voor haar gekookt heb (zij kookte nooit, of ja, één keer heeft ze gekookt voor ons beiden). Die maaltijden hadden een saus of een jus met daarin, naast dingen als gember, knoflook en sambal oelek, een heel klein beetje trassi. Dat heb ik haar nooit gezegd. Ze vond het heerlijk.
Zo heeft ze mij, ongeveer een jaar geleden, bekend gemaakt met pinda bravoe. Dat is Surinaamse pindasoep. U moet het maar eens opgooglen en ook zelf pinda bravoe maken. Mijn tip: neem geen kip, maar neem een stevige witte vis (in stukjes) en doe er op het laatst roze garnaaltjes in. U zult er uw handen bij opeten, bij deze pindavissoep.
Ik mis haar aanwezigheid, maar ik mis ook de vele mails die we elkaar stuurden als zij in Voorburg en ik in Egmond aan Zee was. Ze is in die vier jaar bij elkaar ongeveer driekwart jaar in Egmond aan Zee geweest, eerst was dat een dagje, toen twee drie dagen, later een week, twee weken, een maand. Totdat ze tenslotte op zondag 18 april arriveerde met Tom van de SDK, die een wagentje met spullen achter zijn auto had gedaan.
Ze was toen al zeer verzwakt, door de longontsteking en de slokdarmkanker die ze kort ervoor had opgelopen. Ze kon nauwelijks meer de trap oplopen. Na een week of vier liepen we eens over de galerij, toen ze plotseling niet meer op haar benen kon staan. Ik heb haar toen de drempel van mijn huis over gesleept en haar in bed gekregen, Niet veel later belde ik dokter Smits. Dokter Smits kwam direct langs en zorgde ervoor dat de oncologisch wijkverpleegkundige direct kwam, en die zorgde voor de thuiszorg: een team van drie vier mensen die dagelijks langskwamen.
Ze zijn een grote steun geweest in de laatste week van Alice’s bestaan.
(De foto hierboven is Alice in 2004, twee jaar voordat ik haar leerde kennen.)

zondag 18 juli 2010

257. Op droeve toon

Ik sprak zojuist mijn buurman van vier deuren verderop, een aardige vent van een jaar of zestig, die er een eer in stelt om donderdagavond alle kliko’s aan de weg te zetten en vrijdagochtend, als ze geleegd zijn, weer in het gelid te zetten bij de bergingen. Ik deed een vuilniszak in de kliko, toen hij zei: ‘Dat meidje, hè, dat is dood, niet?’
‘Die is dood, ja,’ zei ik.
Ik had hem, tijdens Alice’s laatste dagen iets verteld over haar.
‘Hoe lang al?’ vroeg hij.
‘Een week of vijf zes geleden is ze gestorven.’
‘Toen al?’
‘Ja. Het is godzijdank snel gegaan.’
‘Dat is goed. Want als er geen weg terug meer is, dan is dat het beste.’
En zo keuvelden we nog wat, ze kwam uit Voorburg, maar eigenlijk uit Scheveningen. Het was een lieve vrouw, was hem (zoals iedereen) opgevallen. ‘Er zat geen kwaad in.’ Al keuvelend liepen we de trap op, naar onze woningen.
‘Maar we hebben goed weer tenminste!’ beëindigde hij het gesprek.

In de lente van 1972 stierf mijn opa van moederskant. Hij heette Engel de Zeeuw en ik ben naar hem vernoemd: mijn eerste doopnaam is Engelbertus. Mijn opa heeft wel wat langer dan een week op bed gelegen met, naar ik meen, huidkanker. Hij had zeer veel pijn en zag blauwpaars.
Mijn tantezuster werd terug uit haar klooster te Hafnarfjördur (IJsland) geroepen om te helpen met de huishouding en met de verzorging van haar vader.
Ik was erbij toen ze mijn moeder belde met de mededeling dat hij was overleden. Mijn moeder huilde, mijn vader sloeg zijn arm liefdevol om haar schouders, en zei zachtjes: ‘Hij was al oud, Stientje. Hij had kanker.’

zaterdag 17 juli 2010

256. Er is veel mooie muziek geschreven

Ik ben eens van plan geweest om een blog met alle heiligen der katholieke kerk samen te stellen, met een portretje, een stukje biografie, een stukje uit Wikipedia, en vooral een stukje over het waarom van hun heiligheid.
Waarom ik dat wou doen? Dat is me eigenlijk niet helemaal duidelijk. Ik ben geen katholiek, om maar iets te noemen. Ik kom wel uit een katholiek nest, maar ik kon op school tamelijk goed leren enzovoorts, dus dan word je al gauw een ongelovige hond.
Ik doe het misschien toch nog eens, al is het wel een hoop werk om zo’n bijna spottende Encyclopedie der Katholieke Heiligen te maken. Als u bijvoorbeeld eens wist hoeveel graven, prinsen, prinsessen, koningen enzovoorts heilig zijn verklaard! Ze worden nog steeds vereerd binnen de katholieke sekte. Er zijn volgens mij zo’n 2500 heiligen, dus u begrijpt dat het wat werk is.
Ik ben ook van plan geweest om alle Stabat Maters en alle Requiemmissen vanaf het jaar 1000 op een blog te verzamelen. Dat doe ik toch ook maar niet, is ook veel te veel werk. Ik verzamel nu te hooi en te gras werken uit de jaren 1350-1550, meest kerkelijke werken, op mijn andere blog. Ik doe daarbij soms aardige ontdekkingen, zoals Mathurin Forestier, die tot 2008 alleen bij specialisten bekend was.
Mij is opgevallen dat in die pestilente jaren de vrolijke muziek alleen gemaakt werd door troubadours enzovoorts. In de kerken werd nagenoeg alles in mineur gezongen. Op droeve toon. Het lijkt wel alsof er van boven verordonneerd was: zing ‘Ik hou van U, o Heer!’ steeds met een brok in de keel.
Dat is ook waarom die muziek mij zo aanspreekt, meer nog dan de barokmuziek. Die oude muziek bevalt me ook zo, omdat ze wordt gezongen, niet gespeeld met instrumenten. Als er later violen, een orgel, blaasinstrumenten en zo bijkomen, ben ik al snel verveeld. Bij Dufay, Ockeghem, Tallis, Byrd enzovoorts doen de stemmen het werk dat later wordt overgenomen door de instrumenten.
Dus ondanks het feit dat ik het katholicisme met grote skepsis bezie, ben ik ze toch dankbaar voor de prachtige muziek die ze hebben doen voortbrengen.

vrijdag 16 juli 2010

255. Dat staat allemaal in de bijbel

Ze hebben het weer eens gedaan. Het Vaticaan heeft nu gezegd (in dat namaaklatijn van ze, natuurlijk) dat het wijden van vrouwen tot priesteressen een even grote zonde is als het verkrachten van kinderen. Daarbij minimaliseren ze dat verkrachten van kinderen en maximaliseren ze hun afkeer van vrouwen.
Het zijn dan ook vieze, ouwe mannetjes, die duidelijk geen behoefte hebben aan getuigen. Zeker niet als die getuigen vrouwen zijn.
Wie is er nog echt katholiek in Nederland? Dat zal ik u zeggen: niemand. Geen hond meer. Wie nog zegt dat hij of zij katholiek is, die stel ik een paar vraagjes, en dan zal gauw blijken dat er van katholicisme geen sprake meer is.
Die vraagjes kunnen bijvoorbeeld gaan over het maagdblijven van Maria, over de Heilige Maagd van Fatima en het schot op de vorige paus, en over een heilige die na het jaar 1600 in Italië leefde en die kon vliegen. Jawel. Hij is nog steeds de patroonheilige voor astronauten, onder nog veel meer. Ze zullen in het Vaticaan wel gedacht hebben: de astronauten hebben nog geen patroonheilige, die moeten er ook één hebben! Laten we daar onze vliegende gek, hoe heet ie toch, Jozef van Cupertino maar voor kiezen.
We zijn langzamerhand te gezond van geest, te goed opgeleid geworden om nog te geloven in dit soort flauwekul. Als je hooikoorts of een gezwel in je mond of epilepsie hebt, ga je naar de dokter. Je gaat dan niet zitten bidden. Het maakt je trouwens ook niet uit of die dokter een atheïst of een gereformeerde is.
Het enige voordeel van de gekkigheid die katholicisme genoemd wil worden: er zijn wat aardige kerkgebouwen neergezet, en er is veel mooie muziek geschreven. Verder is het narigheid, schuldgevoel aanpraten en angst voor de dood inpeperen geweest.

donderdag 15 juli 2010

254. Het was een jongedame uit Dirkswoud

De Noordhollandsche Courant publiceert vandaag het artikel Maria te Dirkswoud. Uit dat artikel hier enkele gedeelten.
‘Wij gingen langs bij de nu 69-jarige Tineke Kerssens, die op 24 september 1953 de Heilige Moeder Maria zou hebben gezien te Dirkswoud. Tineke was toen 12 jaar oud. Katholiek opgevoed. Een eenvoudig meisje
Hoe ging dat, Tineke?
We gingen elke dag naar de kerk ’s ochtends, om te bidden voor de overledenen. Dat ze maar snel uit het vagevuur konden opstijgen naar de hemel. Dat staat allemaal in de bijbel, Gods Woord. Ik bad hoofdzakelijk voor mijn opa. Die was kort daarvoor overleden, en die zou wel niet direct tot de hemel zijn toegelaten, omdat hij dingen had gedaan die niet mochten.
Welke dingen?
Wat we nu fraude zouden noemen. Knoeierijen met geld. En hij deed dingetjes met kinderen.
En toen?
Toen stapte ik de kerk uit, op een warme ochtend in september, en ik viel flauw. Daar lag ik dan, langs de Noordvaart. Ik doe mijn ogen open en ik zie een wirwar van kleuren rondom me, en ik stel mijn ogen wat scherper, want daar is een persoon! Daar kwam uit de hemel afdalen: de Heilige Moeder!
Zei ze nog iets?
Ze zei niets, nee.
Hoeveel mensen buiten jou hebben die Heilige Moeder gezien?
Niemand, denk ik.
Wat heb je daarna gedaan, Tineke?
Ik ging natuurlijk meteen naar mijn moeder terug om het verhaal te vertellen. Mijn moeder schreeuwde iets als: ‘Wat heerlijk, Tineke! Lourdes! Fatima! Dirkswoud wordt een pelgrimsoord!’
Dat is Dirkswoud niet geworden.
Nee. Dat is door duistere krachten tegengewerkt.’

woensdag 14 juli 2010

253. Een zeer ondernemend deel

(Verslag van een gesprek tussen politiecommandant H. van der Weel en M.E.-pelotonscommandant Verheijen.)
- Zo, Verheijen. Hoe is de huldiging verlopen?
- Over het algemeen goed, commandant.
- Geen rellen?
- Geen rellen, nee.
- Ik hoorde vanmiddag nog van wat strubbelingen op de Brouwersgracht.
- Daar was ons peloton bij, om de gemoederen wat te sussen, ja. Er stond een mensenmenigte langs de gracht om Oranje toe te schreeuwen. Er waren enkele bewegingen richting een woonboot. Dat hebben wij verhinderd.
- Hoe?
- Eenvoudig. Met de wapenstok.
- Verwondingen?
- Niet aan politiezijde.
- En wat verder nog?
- Toen hebben wij ons verspreid in twee delen: het deel dat de Oranjeboot al had afgelegd, en een deel volgde de Oranjeboot. We noemden dat het A- en het B-deel. Het B-deel ontmoette verder geen tegenstand. De achtergeblevenen echter maakten moeilijkheden. Wij hebben enkele charges uitgevoerd, voornamelijk om de woonbootbewoners te laten merken dat ze beschermd werden. We hebben toen de honden ingezet. Toen dat niet hielp, werd de paardenbrigade ingezet. En verder werd er ruim met pepperspray gespoten. Toen ook dat niet hielp, was er een dode te betreuren op de Brouwersgracht. Aan politiezijde: geen slachtoffers.
- Goed werk, Verheijen.
- Dank u wel, commandant.
- Nog enig idee wie de dode was?
- Het was een jongedame uit Dirkswoud. Wij hebben ook diverse gewonden geteld.
- Hoeveel, Verheijen?
- Zestien.
- Mooi! Dan ga ik met deze cijfers nu naar de persconferentie.

dinsdag 13 juli 2010

252. Algemene raad

Verslag algemene raadsvergadering Kaagsteeg d.d. 27-12-2009.
Aanwezig: alle raadsleden aanwezig.
Ingekomen stukken: er zijn geen ingekomen stukken.
De Voorzitter Voor Het Leven van de Algemene Raad, de heer Schuitema, vraagt het woord. Onder ovationeel applaus krijgt hij het. Hij zegt: ‘Vrinden! Kameraden van de Kaagsteeg! Het behoeft geen betoog dat het werk van deze algemene raad een godsgeschenk is geweest voor de Kaagsteeg. (Ovat. appl.) In de afgelopen jaren hebben wij onder meer het volgende bewerkstelligd. Onder auspiciën van deze algemene raad is de Speeltuinvereniging De Kaagsteeg, onder voorzitterschap van mijn neef, in staat gebleken tot de bouw en aanleg van een speeltuin ter hoogte van Kaagsteeg 16. (Ovat. appl.)
(...)
(Ovat. appl.) En dan zult u zich de dag herinneren dat de KAM, de Kaagsteger Aardolie Maatschappij, werd opgericht door ondergetekende en de toenmalige secretaris van de algemene raad, de helaas veel te vroeg overleden heer Tentemaker. En u zult zich de dag herinneren, twee dagen na die oprichting van de KAM, waarop een, voor Kaagsteger begrippen, onmetelijk grote oliebron werd ontdekt acher Kaagsteeg 25, het huisje van de oude mevrouw Tentemaker. De heer Tentemaker, de ontdekker van de bron, vloog, zoals u zich nog wel zult herinneren, in de brand toen hij een sigaartje wou aansteken. Maar niet veel later legde de KAM een net van olieleidingen aan, waardoor u nog steeds de winter doorkomt en kunt koken! (Ovat. appl.)
(...)
Ik ben nu 86 jaar, beste vrinden. Het is tijd om op te stappen. Het is ook tijd voor een samengaan van de Kaagsteeg en Dirkswoud. Dirkswoud krijgt er een zeer ondernemend deel bij: de Kaagsteeg! Leve Dirkswoud! (Algemeen gejoel.) Dit houdt ook in dat deze algemene raad wordt opgeheven. Ik heb gezegd.’
Sluiting: de vergadering wordt afgesloten.

maandag 12 juli 2010

251. Doet u dat alstublieft niet!

Rouw. Een maand geleden ging Alice dood, en wat er daarna met me is gebeurd, ‘valt met geen pen te beschrijven’, zoals je dat zegt. Het is natuurlijk wel te beschrijven. Op de eerste plaats ben ik acht kilo afgevallen, omdat ik de eerste drie weken na haar dood nauwelijks nog at. Ik ben pas een week geleden weer begonnen enigszins normaal te eten. Hoe dat komt? Ik kookte altijd de maaltijden voor Alice en mezelf. Ik kan betrekkelijk goed koken. Ik had er simpelweg geen zin meer in om maaltijden alleen voor mezelf te maken.
Verder heb ik veel gehuild, soms onverwachts, op openbare plaatsen, maar vooral thuis.
Een medewerker van de Thuiszorg afdeling Egmond van de firma Evean, waar zowel Alice als ik veel aan hebben gehad, vertelde me de dag na haar overlijden dat ze ook een rouwverwerkingsafdeling hadden. Ik kon vier maal één uur met iemand praten. ‘Laat ik dat maar niet doen,’ zei ik.
‘Het doet veel goed,’ zei die jongeman.
Ik zei maar: ‘Ik heb er geen zin in.’
Het verdriet moet met de tijd wegebben, geloof ik. Doet het dat niet, dan kan ik altijd mezelf nog van kant maken. Zeker moet je (ik bedoel natuurlijk: ik) niet gaan praten met iemand die Alice nooit gekend heeft, die mij ook nooit eerder gezien heeft en die niets van onze relatie wist. Zo iemand kan alleen zeer algemene raad verschaffen, en aan algemene raad hebben wij mensen niets. Ik stel me bijvoorbeeld voor dat ik haar (want het zal wel een vrouwspersoon zijn) zou vertellen over ons beider liefde voor oude muziek, en dat ik dat aspect van mijn verhouding met Alice zeer zal gaan missen. Wat moet ze daarover vertellen? Dat ik ook eens naar Frans Bauer moet luisteren, want die heeft zulke zalige liedjes?
Daarover, over die oude muziek (Bourgondische muziek, Franco-Vlaamse polyfonie, Engelse renaissancemuziek), schrijf ik nu gewoon door op mijn Op droeve toon-stukjes. Alice krijg ik er niet meer mee terug, maar het helpt een beetje.

zaterdag 10 juli 2010

250. Een veel voorkomend Kaagsteegs fenomeen

Ik ben de afgelopen dagen BBZ-loos geweest, omdat ik bezig was met mijn verkenningen in buurtschap De Kaagsteeg. Hier volgen enige van de resultaten van die verkenningen. Als u, na lezing van dit stukje, om medemenselijke of toeristische redenen zou overwegen zelf ook eens naar De Kaagsteeg te gaan, zou ik u willen toeroepen: doet u dat alstublieft niet!
De Kaagsteeg ligt twee kilometer ten zuiden van het landelijke Dirkswoud. Toen ik er afgelopen donderdagochtend kwam, waren de Kaagstegers juist bezig de voorbereidingen te treffen voor het jaarlijkse Kaagsteger Steenfeest. Wat houdt dit volksfestijn in?
U moet ten eerste weten dat De Kaagsteeg de enige niet-Drenthse gemeente is in Nederland, waar hunebedden gevonden worden. Voor de Steenspelen haalt men de deksteen van een der hunebedden af en die plaatst men aan het begin van de Kaagsteeg. Tweehonderd meter verder, aan het einde van de Kaagsteeg, trekt men een finishlijn. Er worden teams gevormd van vijf man. Het team dat, zonder mechanische hulpmiddelen, maar gewoon met de blote handen, de steen het verst weet te verplaatsen, is de winnaar.
Sommige teams zijn al na 50 centimeter uitgeput, andere halen 10 meter. In 1887 haalde het team-Croymans de volle 200 meter, maar de vraag is nog steeds of het toen eerlijk is toegegaan.
Donderdagmiddag was het zover. Het team-Luijting ging aan de slag en behaalde, na vier uren, onder applaus van de toegestroomde Kaagstegers, een afstand van 3.60 meter. Vrijdagmiddag was het de beurt aan het team-Van der Kolk, dat een afstand van 8.20 meter wist te overbruggen. Vanmiddag en morgenmiddag komen nog de andere teams aan de start.
Wat valt er nu te winnen op zo’n Steenfeest? Geld? Nee. Status? Nauwelijks. Voor het antwoord op deze vraag laat ik mevrouw Juliana Krom aan het woord.
‘Mijn overgrootmoeder is er al mee begonnen. Het is elk jaar weer een slopende bezigheid, maar ik hou wel van kereltjes met wat kracht in de armen! Na het Steenfeest wordt er op zondagavond aangebeld door het winnende vijftal, omringd, zoals u wel zult begrijpen, door juichende Kaagstegers. Ik laat het vijftal binnen en begin eenvoudig een kopje thee te zetten. Daarna gaan de gordijnen dicht en laat ik mij, om het zo maar te zeggen, uitwonen.’

woensdag 7 juli 2010

249. Waar ze vandaan gekomen zijn, weet ik niet

Het landelijke Dirkswoud telde, volgens het gemeentelijke bevolkingsregister, op 1 januari 2009: 2416 inwoners. In de loop van dat jaar zijn vijf mensen overleden, zijn er zestien geboortes geweest, en nul verhuizingen van of naar andere gemeenten, dus je zou verwachten dat dat bevolkingsregister op 31 december 2009 een totaal van 2416–5+16=2427 inwoners zou tellen.
Het bevolkingsregister houdt het (op 31 december 2009) op 2501 inwoners. Wat is hier aan de hand. Waar en wie zijn die 74 extra inwoners.
Ik ging dus naar het gemeentehuis, waar een ambtenaar me te woord stond. Hij praatte een beetje schutterig, dus ik zal zijn naam maar voor me houden, maar deze heer vertelde me dat er ‘totaal niets aan de hand’ was. Ik hoefde me geen zorgen te maken over de rekenkunst op het gemeentehuis.
Als je iets wilt onderzoeken, ga je eerst naar de plaats waar het officiële nieuws moet zijn. Als de raadselen daar niet worden opgelost, dan doe je research in the field. Ik ging naar café ’t Hoekje, waar me eerder al goede raad was gegeven. Ik moge u herinneren aan mijn vraag van drie jaar geleden: waarom gaat er niet één Dirkswoudenaar ooit met vakantie? Het antwoord van een oude Dirkswoudenaar, die in ’t Hoekje aan de bar zat: ‘Wij gaan niet met vakantie, omdat er elke dag iets kan gebeuren, thuis. Die vreemde landen en zo, die zien wij toch wel op de tv. Dus gaan wij niet met vakantie.’
Nu zat ik daar weer en ik vroeg aan de aanwezigen waar die 74 extra inwoners vandaan konden komen. Eerst wist niemand het. Na een paar pilsjes kwam er toch antwoord: buurtschap De Kaagsteeg was aan Dirkswoud toegevoegd. Men had er weinig goede woorden voor over, men moest niets hebben van de Kaagstegers, die men beschuldigde van openbare dronkenschap, vechtpartijen tijdens de Dirkswoudse kermis, ‘er is er ook geen één die werkt, daar, maar ze rijden wel allemaal in Mercedessen’, zelfs verkrachting van de eigen kinderschaar was een veel voorkomend Kaagsteegs fenomeen.
De Kaagsteeg ligt twee kilometer ten zuiden van Dirkswoud. Ik zal er een volgende keer eens langsgaan en verslag uitbrengen.

dinsdag 6 juli 2010

248. Lastig is het soms wel

Ik ben geboren in Limmen (Noord-Holland) in 1953. Limmen had toen zo’n 2500 inwoners, van wie driekwart katholiek was. Daar hoorden wij ook bij.
Limmen heeft inmiddels 7000 inwoners, waar ze vandaan gekomen zijn, weet ik niet.
Aan de oostelijke rand van Limmen stond en staat, aan het eind van de Kerkweg, de katholieke H. Corneliuskerk. De clerus te Limmen bestond uit pastoor Bangert en kapelaan Beldrok. Hoe de tegenwoordige pastoor heet, weet ik niet. Hij zal wel geen kapelaan hebben.
In mijn jeugd dacht ik dat alle volwassenen katholiek waren. Goed, er waren wel enkele protestanten in Limmen, maar die kende ik niet. Die woonden aan de zuidrand van Limmen, rond hun eigen kerkje. Ik kwam daar nooit.
Je hoort nog wel eens zeggen dat katholieken een beetje dom volk zijn. Zo zullen de katholieken te Limmen wel niet weten wie hun Heilige Cornelius nu eigenlijk was, en dat hij de beschermheilige voor het hoornvee is. Dat soort details werd ons nooit medegedeeld. Ik weet het omdat ik me, als ongelovige hond, voor mijn verleden interesseer.
Soms is het lastig. Ik maak me graag vrolijk over het katholicisme, dat ik soms samenvat onder de titel ‘verkleed zwammen’. Maar anderzijds: er is zoveel prachtige katholieke, of laat ons zeggen christelijke muziek gemaakt! Zoveel schitterende Sanctussen, Agnus Dei’s, Credo’s. Vooral in de jaren 1400-1600, naar mijn smaak. Componisten? Tallis, Byrd, Dufay, Dunstable, Ockeghem, Tinctoris, Desprez, Obrecht, Ghiselin, Gombert. Ik noem er maar enkelen.
Hier zit dus een atheïst, die wel met respect over de katholieken spreekt, maar niet met respect over het katholicisme, en die zo kan genieten van die oude katholieke muziek. Die ook zo kan genieten van de muziek van Bach, Pärt, Gorecki, Zelenka.
Hoe valt dat nu met elkaar te rijmen? Ik geloof dat het bijvoorbeeld zo zit. Dat katholicisme is er niet voor u en mij. Dat is er voor de clerus. Die krijgt ervoor betaald, in geld, macht, status. In vroeger dagen werd een deel van dat geld besteed aan een koorleider, een componist, een organist. Die mensen kregen zo ook iets, wat ze nergens anders konden krijgen, en die maakten dus hun Kyrie eleison’s.

maandag 5 juli 2010

247. Ik heb ook geen zin om het even op te zoeken

Mijn geheugen wordt slechter. Ik merk dat bijvoorbeeld aan de vele briefjes op tafel, rond mijn monitor. Op die briefjes staan adressen van mensen die ik niet ken, opgeschreven in het stuntelige handschrift dat ik wel direct herken: het mijne. (De fijne motoriek is verloren gegaan in 2002, bij mijn herseninfarct.) Wie is bijvoorbeeld Pieter de Weever? Antonia Valentijns? Clara de Goede? Ik heb geen idee, dus als u dit leest en u bent één van deze mensen, wilt u dan een portretfotootje opsturen? Wie is Winston Braakland? Ik heb toch geen vrienden die Winston heten?
Ik merk het ook aan de boodschappenbriefjes die ik, sinds ongeveer een jaar, elke dag schrijf, en die ik soms vergeet mee te nemen naar de supermarkt. Dat gebeurde bijvoorbeeld vanochtend en ik heb geen aansteker gekocht.
Ik heb het vooral met namen. Ik weet bijvoorbeeld niet meer onder welke andere naam de 15e-eeuwse Bourgondische componist Guillaume Legrant bekend was. Die naam heb ik twintig jaar lang geweten, nu weet ik hem niet meer. Ik weet bijvoorbeeld ook niet meer wat de echte naam van Desiderius Erasmus was. Dat heb ik ergens gelezen, een half jaar of zo geleden, maar ik weet het niet meer.
Ik ga het ook niet opzoeken. Daar ben ik te lui voor.
Ik heb, voor zover ik het kan merken, geen last van Parkinson (weer zo’n woord dat ik even kwijt was en moest opzoeken) of van enige vorm van dementie. Zo erg is het nog niet. Maar lastig is het soms wel.
Je begint ook niet gauw een gesprek. Als ik iets wil zeggen over één van Rembrandts leerlingen, nee, niet Fabritius, Ferdinand Bol, Gerrit Dou of Govert Flinck, ik bedoel een andere leerling, die ook een boek over de schilderkunst van die tijd schreef, waarin hij Rembrandt bekritiseerde, als ik iets wil zeggen over hem, maar ik weet zijn naam niet, dan begin ik zo’n gesprek niet eens.

Naschrift. Ik heb de drie namen toch maar even opgezocht. Guillaume Legrants andere naam was Lemarcherier. Erasmus heette eigenlijk Gerard Gerards en die leerling van Rembrandt was Samuel van Hoogstraten.

zondag 4 juli 2010

246. Laat ons verder niet meer over de zaak praten

Ik ben in mijn leven éénmaal met justitie in aanraking geweest. Dat was in 1979, ik was net verhuisd naar Alkmaar en woonde daar in de stationsbuurt. Daar vlakbij is het Scharlo (ik weet niet zeker of het met één o of met twee o’s geschreven wordt, en ik heb ook geen zin om het even op te zoeken) en daar fietste ik op mijn ouderwetse grijze herenfiets. Om te voorkomen dat ik werd overreden door een scooter, wipte ik het trottoir op. Ik reed verder, op dat trottoir, zo’n dertig meter, en daar werd ik aangehouden door een agent van politie.
‘Halt! Weet u wel dat u hier niet mag rijden?’
Dat wist ik uiteraard wel, ik heb altijd goed opgelet, vroeger, op school tijdens de verkeerslessen. Maar ik zei: ‘Waar staat dat bord dan?’
De man pakte zijn bekeuringsbonnenboekje en begon te noteren, hij vroeg mijn naam en adres en die deelde ik hem gewoon mee. Het was nog in de tijd dat je je ID of je paspoort niet hoefde te tonen, dus ik had evengoed alles kunnen liegen, maar dat deed ik niet.
De agent controleerde ook nog of er achter- en voorlicht op mijn fiets zat en of de remmen het wel deden. Daar mankeerde niets aan. De bekeuring bedroeg f 15,—. Zulke enorme bedragen had ik uiteraard niet op zak, maar dat maakte niets uit, zei hij, ik kon een acceptgiro verwachten.
Die acceptgiro kwam er, en toen ik niet betaalde, kwam er een jaar later nog één, en een half jaar later nog één. Ik betaalde wederom niet, en tenslotte kreeg ik een brief van de griffie van de kantonrechtbank te Alkmaar. Ik moest verschijnen, of ik kon binnen twee weken betalen aan die griffie.
Ik besloot de griffie een brief te schrijven: ‘Geachte griffier! Uiteraard wens ik, als burger van dit land, de gemelde boete te betalen, hoewel deze boete mij geheel ten onrechte is toegekend. Echter: het banknummer van uw griffie is niet meer leesbaar, door nattigheid van koffieachtige aard. Kunt u mij uw banknummer nog eenmaal toezenden?’
Dat deden ze, en toen betaalde ik die f 15,—.
Je moet uiteindelijk een fatsoenlijk mens blijven, vind ik, maar als het even kan moet je de overheid wel op kosten jagen.

zaterdag 3 juli 2010

245. Enkele passages

Hier enkele passages uit de binnenkort te verschijnen literaire suspense novel De moord op Astrid van F.D. Jevski:

‘Ga weg uit mijn gezichtsveld!’ siste zij.
‘Nee, nee! Zie je niet in hoe gelukkig ik je kan maken?’ streek hij door zijn blonde haren.
‘Ga toch weg, ellendeling!’ kermde zij.
‘Nee!’ sputterde hij nog wat tegen.
‘Vertrek!’ smeet zij haar bord met macaroni op de vloer.
‘Oké! Als dat is wat jij wilt!’ deed hij de deur achter zich dicht.

Toen de generaal de kamer betrad was het even stil. Die stilte werd verbroken door de vrouw des huizes. ‘Waar komt u nu weer vandaan?!’ eiste zij antwoord.
‘Ja, waar vandaan?’ informeerde ook, zeer kwaad, de vrouw van officier De Lange.
‘Uit de Congo soms?’ maakte officier De Lange zich er met een grapje van af.
‘Welnee!’ protesteerde zijn vrouw hiertegen.

‘Duizend excuses!’ kamde zij haar gitzwarte haar voor de spiegel.
‘Wat!’ ontplofte de generaal.
‘Laat ons verder niet meer over de zaak praten,’ controleerde zij haar wenkbrauwen.

vrijdag 2 juli 2010

244. Er kwam zelfs applaus

De St. Clara-katholieken in het landelijke Dirkswoud hebben een nieuwe pastoor! Het is de omstreden Engelbertus te Water, die drie jaar geleden nog pastoor te Egmond aan Zee was, en van wie bisschop Jos Punt van het bisdom Haarlem ooit zei: ‘De kwal des geloofs! Punt!’ Uiteindelijk heeft Engelbertus zich geschikt in de leerstellingen van de Heilige Moederkerk, en hij werd overgeplaatst naar de St. Clarakerk te Dirkswoud.
Uit De Dirkswoudenaer, het plaatselijke advertentieblad dat uitgegeven wordt door Drukkerij Uitgeverij De Schakel, Noordvaart 401 (De Schakel, Voor Al Uw Papieren), halen wij enkele passages uit een interview dat de jonge Kees van der Woude had met Engelbertus.
U wilde zich afscheiden in Egmond aan Zee, was het niet?
Quavernare non silencium. Afscheiden was wel een groot woord, wij wilden van het Vaticaan en van het bisdom volle transparantie. Meer was het niet. Quod positio tabernaculae quamque transparencis, zo was het eigenlijk.
Dan is het goed. Wat gaat u in de Sint Claraparochie inbrengen?
Claritas testamentalis in Domine Deo, in één woord samengevat. Een helder geloof dus in de Here God. Caelum orare quaesta per unum modo perilensis. Daar gaat het om in het katholieke geloof.
Dat is duidelijk.
Quamperque simultanis de credo unicure per lamentabele. Kyrie eleyson.

donderdag 1 juli 2010

243. Het blijft wel bestaan

Het blijft wel bestaan, dit blog, want ik ga er weer op schrijven. Elke dag. (Juicht mede.) Neem nu dit eigenaardige voorval waarvan ik, helaas als enige naast de Dirkswoudenaren, getuige was in het landelijke Dirkswoud. Om preciezer te zijn: vlak voor het vroegere postkantoor aldaar, Noordvaart 125.
Ik loop daar vanmiddag wat te strompelen, ik bedoel natuurlijk: ik loop daar toeristisch te flaneren, en ik groet dezen en genen. ‘Hallo, Karel!’ en ‘Goedenmiddag, Jan de Kat! U ook, mevrouw, hoor!’ Je bent ergens bekend, dan moet je je daar ook naar gedragen, vind ik. Ik vind bijvoorbeeld dat die Wesley Sneijder het helemaal verkeerd aanpakt. Katholiek worden vanwege je verkering, dat is natuurlijk altijd vragen om een scheiding. Katholiek worden is trouwens om elke reden een grote vergissing. Maar Wesley geeft niks om de gewone mensen meer, die geeft alleen nog maar iets om die Jolante.
Terug naar het verhaal van vanmiddag. Ik loop daar, of, laat ons zeggen, ik beweeg me daar. Met een rollator. Er lopen nog een twintigtal mensen. Er komt een geldbus aanrijden. Iedereen blij, behalve ik, want ik heb nergens geld voor nodig. Die geldbus moet geparkeerd worden vlak voor Noordvaart 125, want daar is een Rabobank pinpunt. Men maakt dus plaats en men wacht.
Geldbus met daarin: twee mannen. Eentje van hen moet dan naar achteren kruipen, heb ik ooit begrepen, en met het geld tevoorschijn kruipen. Op dit schouwspel wachtten ook de Dirkswoudenaren.
Na een kwartiertje kwam er ook een man uit die auto tevoorschijn, die, de armen breed uitzwaaiend, sprak: ‘Mensen! Een ogenblik geduld! Er zijn de laatste tijd veel overvallen geweest op ons soort mensen. Dat willen wij hier voorkomen! Ik heb hier aan mijn rechterarm een koffertje hangen, waarin zich geen geld bevindt. Dat koffertje breng ik nu naar de pinautomaat. Geduld!’
Er kwam zelfs applaus. In gemeenten zoals Dirkswoud is nooit een overval gepleegd en zal er ook nooit een gepleegd worden.

zaterdag 3 april 2010

242. Weg

Dit blog houdt op te bestaan. D.w.z. het blijft wel bestaan, maar ik schrijf er niet meer op. Ik schrijf nu, samen met Duifje (Alice Stegeman), op Het Huis der Gekreukten. U moet maar eens kijken of u dat even leuk vindt als BBZ.

woensdag 31 maart 2010

241. Toen was ze snel vertrokken

Toen was ze inderdaad snel vertrokken, Cairla. Spreek uit: Kaaírla. Je mocht haar niet aanspreken met het gewone Carla.
Cairla kwam uit het Lapse deel van Finland, uit het hoge Noorden dus (uit Enontekiö, om precies te zijn). Ze kwam ons voorlichten over, dacht ik, de onsterfelijke koude die daar heerst en over de rendieren die daar het landschap vullen — maar nee, ze wou ons vertellen over de teruglopende winters in het noorden van Finland. Het was daar maar –25° graden de laatste paar jaar en daar maakte ze zich zorgen over. Ze sprak over deze verschrikkelijke ontwikkeling op een spreekbeurt die ik heb bezocht in Egmond aan Zee.
‘Carla,’ zei ik, ‘wat is daar nu érg aan?’
‘Kaaírla!’
‘Ja goed, maar wat is daar dan érg aan?’
‘Het is Kaaírla, meneer!’
‘Ja goed, maar...’
‘Nee, mijn naam is Kaaírla!’
‘All right. Maar wat is daar dan érg aan?’
‘Wat daar erg aan is, is dat een normale meneer uit Nederland blijkbaar niet mijn naam kan uitspreken — tekenend! Veelzeggend! — terwijl íedereen die in veel koudere gebieden woont dan Nederland dat zonder moeite zou kunnen. Kaaírla!’
‘Ik verontschuldig me, ook voor de voorzitter, meneer Pekslag, dat ik de juiste naam niet heb kunnen uitspreken op deze avond. Het spijt me ontzettend! Carla! Hoe erg is het...’

maandag 29 maart 2010

240. Ik heb ze echt gezien

- Duifje?
- ...
- Duifje?
- Ja, Bennemans. Het duurde even voordat ik de telefoon opnam, want ik doe aan omgevingsanalyse.
- Hoe gaat het nu met je?
- Vrij goed. Hoe gaat het met jou, Bennemans?
- Ook vrij goed, Duifje. Ik heb me aan een vrouw vergrepen.
- Vertel op!
- Het was op Facebook. Daar had een zekere Mirjam een filmpje over Carl Jung neergezet. Dus ik reageer: hoe kun je nu denken dat wat die man heeft beweerd één cent waard is? Nou, zegt ze, Carl Jung heeft gezegd dat de menselijke psyche het grootste wonder in de kosmos is. Dus ik zeg terug: je kunt, met evenveel recht, zeggen dat de hamster het grootste wonder in de kosmos is.
- En toen vergreep je je aan Mirjam?
- Nee, toen kwam er een zekere Marloes bij. Die zei: ik sta helemaal aan jouw kant, Mirjam! Ik zeg: hallo, Marloes. En toen begint Marloes me toch een potje bevoogdend toe te spreken! En in pure cliché’s te praten! Als je zei: ik heb een paar boeken gelezen, dan zei Marloes: in boeken vind je lang niet altijd de waarheid, in dit leven heb je ondervinding veel harder nodig.
- Zei ze dat echt?
- Ja. Dus ik vond dat ze de discussie behoorlijk begon te domineren en dat ze het verdiende even op haar plaats te worden gezet. Zo zei ze op een gegeven moment: ik heb theologie gestudeerd, ik heb een website over het Duitse verzet, ik heb veel boeken gelezen en ik werk met Jung. Dus Mirjam komt er tussen en zegt: jullie vechten met de degens! Ik zeg terug: ja, Mirjam, soms moet dat. Als de mensen zich als Jungianen aanstellen, jij niet, hoor, jij niet, of als ze komen vertellen dat ze veel boeken gelezen hebben en theologie hebben gestudeerd, dan worden de wapens gescherpt.
- En dat las Marloes natuurlijk ook!
- Uiteraard. En tegen Marloes zei ik: God heet niet Zeus, Baäl of Wodan, God heet Jezus Christus. Zeker weten. Dat is alles wat een theoloog weet. Afijn, toen was ze snel vertrokken.

zondag 28 maart 2010

239. In het Delftse ziekenhuis

Als ik lieg, komt dat door de berichten die ik krijg van Alice, dames en heren. Alice ligt in het Reinier de Graaf Gasthuis te Delft met een longontsteking. Ze had 39° koorts, gisteren.
Ze meldde me telefonisch dat het personeel van het ziekenhuis haar niet beviel. ‘Bennemans, het is een ramp tegenwoordig met dat personeel! Kuch. (Ze kuchte na elke zin.) Ik had het net zo benauwd, dat ik een zuster belde (kuch). En moet je horen wat er gebeurde. Kuch! (Ik zal verder het kuchen weglaten, want het leidt af van de zaak waarom het gaat.) Er komt eerst een werkman naar mijn bed, zijn gezicht en zijn pak en zijn handen onder het roet gesmeerd, en hij had een soort fakkel bij zich.’
‘Een soldeerbrander, Duifje?’
‘Ja! En die man begint te praten: En, hoe gaat het, mevrouwtje? Beetje benauwd? Doet u uw mond maar eens wagenwijd open. Ik denk: daar dénk ik niet over! Die wil mij van binnen wegbranden!’
‘Groot gelijk, Duifje.’
‘En opeens staat daar een politieagent, met een bonnenboekje en een pen in zijn hand en die agent doet zijn pet van zijn hoofd en zoekt naar een plekje voor die pet, maar die vindt hij niet. Dus toen zette hij die pet op mijn hoofd! Mevrouw, zegt die agent, u ligt hier verkeerd geparkeerd! Ik zeg: welnee, ik lig hier goed!’
‘Wat een toestanden, Duifje.’
‘En even later komt de zuster naar me toe en die zegt: dat waren onze cliniclowns, die zijn bezig een meer realistische act te oefenen. Dus het waren geen geestverschijningen of spookachtige koortsverbeeldingen. Ik heb ze echt gezien.’

zaterdag 27 maart 2010

238. Dat houd ik nog even voor me

Ik heb nooit een spellings- of taalcorrector nodig gehad. Wat ik schrijf, is Nederlands. Als ik eens een fout maak, dan herstel ik hem ook. U hebt gelijk als u ooit een tikfout tegenkomt in mijn stukjes. Dat wou ik ook zo houden.
Wat mij tegenstond (op Twitter) en tegenstaat (op Facebook): de enorme fouten tegen het Nederlands, het Engels, het Frans, het Duits. Laat de Engelsen enz. het maar voor zichzelf uitzoeken, ik vind dat een Nederlander of een Belg zich in behoorlijk Nederlands moet uitdrukken.
Maar eigenlijk vind ik dat ook weer niet: iedereen moet gewoon zeggen wat hij of zij wil, hoe stompzinnig ze het ook formuleren. Hoe belachlijk slecht ze ook de interpunctie en de spelling van de taal beheersen. Hoe geenstijlerig ze ook willen reaguren. Daar is trouwens een ander, veel ouder woord voor: responderen. Maar reaguurder zijn is blijkbaar aanlokkelijker.
Eigenlijk is dit een protest tegen de algehele verdomming in Nederland. Als je al niet in staat bent op je spandoeken spelfoutloos door een straat te lopen, dan is er iets aan de hand. Als er al onderwijzers spelfouten maken, dan is er iets mis.
Het is natuurlijk vrij simpel op te lossen: leer die onderwijzers géén spelfouten te maken, géén rekenfouten te maken, leer ze waar Magadan ligt, welk klimaat daar heerst enzovoorts. De geschiedenis van Magadan, noem maar op. Léér ze iets!

(P.S. Nagekomen bericht, zaterdag 13.00 uur. Alice is in het ziekenhuis opgenomen. Ze had vanochtend ademhalingsproblemen, koorts en ze kon nauwelijks meer op haar benen staan.)

(Nagekomen bericht, zaterdag 18.00 uur. Alice blijkt een forse longontsteking te hebben. Maar daar is wel iets tegen te doen, en dat wordt nu ook gedaan in het Delftse ziekenhuis.)

vrijdag 26 maart 2010

237. We zijn nog jong

Alice en ik zijn nog jong, dat wil zeggen, we zijn allebei sixtyish, maar erg beweeeglijk zijn we niet meer. We gaan zeer binnenkort samenwonen (hokken) in Het Huis der Gekreukten te Egmond aan Zee. Op de dag dat Alice (die naam op z’n Engels uitspreken a.u.b.) hier arriveert, zal dit blog eindigen.
‘Dat heeft ook wel lang genoeg geduurd,’ zult u uitroepen. Inderdaad. Maar dan gaan Alice en ik samen door op ons nieuwe blog, dus u bent bepaald niet van ons af!
Wat gaan we zoal doen in Het Huis der Gekreukten? Van alles, durf ik wel te voorspellen. Zo gaat Alice mij en wellicht ook u bekendmaken met sterren zoals Jim Keltner, Norah Jones en Tori Amos (ik dacht eerst dat dat een parfummerk was). Ik weet niets van de Amerikaanse moderne muziek, en ik ben te lui om die dingen op te googlen, dus daar ben ik zeer benieuwd naar. Ook gaat ze kiekjes maken, want ze bezit een fototoestel, en dat heb ikzelf nooit bezeten. Ook gaat ze gewoon door met stukjes schrijven zoals op Hadriana.
‘En u dan?’ vraagt u. Wel, ik ga ook gewoon door met dagelijks mijn stukjes maken. Ik zei al dat u niet van ons af bent. En verder komt er elke dag een stuk oude muziek tevoorschijn, uit de Bourgondische School, uit de Engelse renaissance, barokmuziek etc. Ik zal ook af en toe wel een modern stuk voor u uitzoeken, maakt u zich maar niet bezorgd.
En alles wat we horen, zien, voelen, proeven, alles wat ons kwaad maakt of juist vrolijk, komt op dat blog.
Met welk muziekstuk gaan we beginnen? Met het, naar mijn smaak, mooiste stuk van Bach, de grote meester, gespeeld door zijn beste leerling, Glenn Gould. We gaan dus groots aftrappen. ‘Welk stuk?’ vraagt u. Dat houd ik nog even voor me.

donderdag 25 maart 2010

236. Ik ook niet, Duifje

- Zie jij ook maar enig bezwaar, Duifje?
- Ik zie geen bezwaar, Bennemans.
- Dan schenken we elkaar nu een telefonisch kusje. Kus!
- Kus, Bennemans. Denk er wel aan, dat er schapenvlees op tafel moet komen. Dat heb je beloofd!
- Schapenvlees komt er, van de islamitische slager in Alkmaar. Een Turk of een Marokkaan, dat weet ik niet. Een Turk, denk ik. Ik heb jaren geleden eens schapenbiefstuk gekocht, goed vlees, en dat heb ik klaargemaakt met Indonesische kruiden (koriander, gemberwortel, citroengras etc.). Dat baarde opzien.
- In positieve zin, Bennemans?
- In positieve zin, ja.
- Want ik begrijp niet hoe sommige mensen, zoals die mensen in Masterchef erbij komen, vanavond nog, om lamsvlees varkensvlees te noemen. Dat proef je toch?
- Ja, maar dat zijn amateurkoks, die nooit hun eigen voedsel proeven.
- Daar zal het in zitten, Bennemans. Ik zou ook wel eens een tiramisu willen hebben.
- Een tiramisu? Even denken, koffie, mascarpone... Dat komt voor elkaar, lief!
- Jij bent altijd zo van: een twee drie, voor elkaar.
- Uiteraard, Duifje!
- Het mag ook wat kalmer, bedoel ik. Het lijntje breekt niet, Bennemans.
- Uhm. Daar heb je gelijk aan, Duifje.
- Race niet te hard. We zijn nog jong.

woensdag 24 maart 2010

235. Toen was het drie uur ’s nachts

- Duifje?
- Ja, Bennemans?
- Ik weet wel dat ik je wakker bel...
- Inderdaad, het is drie uur geweest. Maar ik hoor je sonore stem zo graag!
- Ik heb ook ’s nachts nog een goede baritonstem, hè?
- Je kunt zo meezingen in het koor, Bennemans.
- Hangt er wel vanaf welk repertoire ze hebben natuurlijk, Duifje.
- Byrd, Tallis, Bach, Pärt.
- Jij hebt een goede smaak!
- Dat wist je toch, Bennemans?
- Ja, dat wist ik. Ik wou dat je alvast hier was, Duifje.
- Wat? Waar? Waar? Grapje, Bennemans.
- Ik heb trouwens muziekcorps Excelsior gevraagd of ze op willen letten.
- Waarop?
- Ik heb gezegd: ga bij de grenspaal staan, in het gelid, en wacht totdat de verhuiswagen eraan komt. En dan komen jullie dus achteraan het muziekcorps het dorp binnen. Ze gaan het nummer Come home, Nitty-Gritty spelen, terwijl langs de weg de Derpers je met vlaggetjes toezwaaien.
- Heerlijk, Bennemans!
- Ik ben ook bij de verschillende lagere scholen in ons dorp geweest en ik heb gezegd: op die en die dag hebben jullie ’s middags vrij, kinderen!
- Dan zal ik maar niet op de woensdag komen, Bennemans, want dan hebben ze al vrij.
- Inderdaad, Duifje. Ik heb gezegd: dan hebben jullie vrij, maar dan moeten jullie wel met z’n allen op het pleintje voor mijn huis komen, met toeters et cetera. En dan moeten jullie even ontzaglijk hard gaan gillen en joelen als de verhuiswagen eraan komt.
- Ik kan niet wachten, Bennemans.
- Ik ook niet, Duifje.

dinsdag 23 maart 2010

234. Vreemd genoeg

Er bestaat geen uitdrukking om het tegengestelde aan te geven: normaal genoeg, gewoon genoeg. Ook synoniemen zijn moeilijk aan te geven: raar genoeg, idioot genoeg, extreem genoeg. Het is een Nederlandse zegswijze (misschien ook een Vlaamse?) die precies aangeeft wat ze wil zeggen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld: dronken als een kanon. Ik ben in mijn leven twee keer dronken als een kanon geweest, maar vreemd genoeg heb ik er geen vaste herinnering meer aan. Ik weet nog slechts de bittere nasleep: de eerste keer (op mijn zestiende jaar) eindigde het in een greppel langs de weg. Daar was ik blijkbaar in gedonderd, met mijn fiets, en daar bleef ik maar slapen.
De tweede keer was ik twee- of drieëntwintig jaar. Die avond eindigde in Avenhorn. U moet maar eens kijken in uw atlas, beste lezers. Zo’n dertig kilometer vanwaar ik woonde. Ik was daar ’s middags met een paar gelijkgezinden naartoe gefietst, want er was iets in Avenhorn. Een expositie, meen ik, en daarna een restaurant en vervolgens zouden we allemaal weer terugfietsen.
Dat terugfietsen stuitte tijdens het restaurantbezoek op steeds grotere bezwaren. Want er zouden toch ook te Avenhorn nog wel café’s bestaan? Die bestonden inderdaad, ik meen zelfs dat er een ‘Het Hoekje’ bestond, café waarin wij onze intrek namen.
En daar namen wij ook echt onze intrek, tot sluitingstijd: één uur. Een verslag van de gesprekken met de inheemse bevolking is niet bewaard gebleven, geloof ik. Bewaard gebleven is in elk geval mijn herinnering aan de nachtelijke zoektocht (lopend, met de fiets nuchter aan de hand, gelukkig) naar een hotelletje, dat we uiteindelijk vonden in Opmeer. Toen was het drie uur ’s nachts.

maandag 22 maart 2010

233. Wij hoeven het niet

Zonder onvoorziene complicaties komt Alice over een dag of tien, op 1 april ongeveer, bij me wonen. Ik heb het al rondgezongen op straat: ‘Pierla pierla hopsa-twerp! En Alice komt nu ook naar ’t Derp!’
Hoe goed dit nieuws werd opgevangen — Derpers zijn de Vlamingen van Noord-Nederland, ze zijn niet allemaal even muzikaal, maar ze zien het als je blij bent, en zijn dan zelf ook blij — blijkt uit een droge opmerking die gemaakt werd door een oudere man: ‘Hai hep ’t over ze maidje zeker. Maidje vonden.’
Derpers, zoals de inwoners van Egmond aan Zee zichzelf noemen, zijn daarnaast ook een vriendelijk en zeer behulpzaam volkje. Je waant je echt in het paradijs, en dit is nu eens niet ironisch bedoeld. Een oudere dame zei me, toen ze het nieuws van ons samenwonen vernam: ‘Dan moet je ook extra kastjes hebben! En laat ik nou een kastje over hebben! Kom maar mee.’ Ik mee, want tegen zoveel vriendelijkheid ben ik nooit bestand geweest. Het bleek te gaan om een zeer laag dressoirtje, een la op pootjes. ‘Vrouwen willen nu eenmaal de dingen opbergen, dat moet je niet vergeten!’ zei ze nog. Ik mocht het ding gratis meenemen.
Dus nu staat het ding in mijn kamer: 28 cm hoog, 70 cm breed, 32 cm diep. Met een sleutel, zodat je de lade kunt dichtdoen. Eikenhout. U mag het gratis komen ophalen, want wij hoeven het niet te hebben.
We hebben vanochtend voor 200 euro zes Ryan vakkenkastjes (135 x 40 x 35 cm) besteld bij de Praxis, want er komen veel boeken en schalen en keukenapparaten bij. Alice gaat ook nog bij Ikea Delft een klerenkast bestellen. Je kunt bij Ikea niet online bestellen, vreemd genoeg.

zondag 21 maart 2010

232. Een taak voor de journalisten

Althans voor deze journalist. Hoe krijgen we de Vlamingen zo ver dat ze Nederland gaan aanvallen, en de boel hier overnemen? Het wordt echt tijd voor een Groot Vlaanderen. We hebben in Nederland natuurlijk geen behoefte aan de IJzerbedevaarten en aan dat katholieke geloof en aan die prins Philip. Maar daarvoor zijn de Belgen te beleefd, dat zullen ze ons niet willen opdringen.
Al één Belgische is voor mijn idee te vinden: Annelies de Ceukelaire, wie ik al eens gevraagd heb hoe je haar achternaam uitspreekt: Ceukelère of Ceukelare. De vraag is haar ontgaan, neem ik aan, want ook op Facebook zijn de Belgen stukken aardiger en mededeelzamer dan de Nederlanders.
Het liefst zou ik de samensmelting van Vlamingen en Nederlanders vóór 9 juni a.s. zien plaatsvinden, vóór de verkiezingen dus. Het mag ook later gebeuren. Als het maar gebeurt.
Ik heb Annelies al gezegd waar de Belgische manschappen moeten trainen: op vlak terrein, want Nederland kent geen bergen, behalve in de buurt van Valkenburg. De Belgische marine moet een omtrekkende beweging maken en aan land gaan te Egmond aan Zee, waar Alice en ik ze dansend zullen opwachten. We zullen wel van collaborateurschap worden verdacht, maar dat kan ons niets schelen.
Waarom sluiten wij de Belgen in onze armen? Allereerst natuurlijk omdat ze aardiger zijn in de omgang, maar ook omdat ze dronken ministers gewoon hun gang laten gaan, wat ondenkbaar is in Nederland.
Een goede naam voor Vlaanderen + Nederland zou Opperland zijn.
Wat doen wij met Wallonië? Dat geven wij terug aan Frankrijk, Duitsland en Luxemburg. U mag het hebben, zullen wij zeggen. Wij hoeven het niet.

zaterdag 20 maart 2010

231. De beste persoon

U bent?
Jan Kortenaer van Veurweghen.
En u bent dus de nieuwe lijsttrekker van het CDA?
Misschien. Misschien. Daar gaat het partijbestuur nog over vergaderen. Maar ik word de nieuwe lijsttrekker van het CDA, ja.
U bent katholiek of protestants, meneer Kortenaer?
Eh Van Veurweghen, ja. Ik ben katholiek En ik zou zeggen: het katholicisme moet weer in de lift. Met de laatste troebelen in de moederkerk, nietwaar, met al die jongetjes die zeggen mishandeld te zijn, maar die, als u het mij vraagt, erom gevraagd hebben mishandeld te worden door de fraters en broeders en priesters. Nietwaar, denkt u het zich maar eens in!
Maar u bent dus lijsttrekker van het CDA.
Inderdaad juist. En wij zullen, vooral in het zuiden des lands, een klinkende overwinning op de socialisten gaan behalen. Wees daarvan verzekerd! Wij zullen ons verdedigen tegen de infame beschuldigingen, die, ook door de als kinderlokker bekend staande, heer Cohen zijn ingebracht!
Cohen kinderlokker?
Jawel, inderdaad juist. De beschuldigingen die juist door hem zijn ingebracht, zullen wij weerleggen.
Cohen kinderlokker?
Jawel. Dat was een goed middel voor het CDA om terug te vechten tegen de tand des tijds!
Cohen kinderlokker?
Jawel, meneer.
Hoe maakt u dat hard tegenover de rechter, meneer Kortenaer?
Van Veurweghen. Dat gebruiken wij als verkiezingsmiddel, meneer, dus dat hoeven wij helemaal niet hard te maken.
Maar waaruit concludeert u dan dat Cohen een kinderlokker is?
Licht zijn doopceel maar eens. Een taak voor de journalisten, niet?
Terug naar de studio. Een taak voor de journalisten.

vrijdag 19 maart 2010

230. Een Amber Alert zou u onnodige moeite hebben gevonden

Ik ben nu even een CDA’er, spreken we af. Wie was de meest succesvolle CDA-minister of -staatssecretaris van de afgelopen drie jaar? Dat was Jan Kees de Jager. Dat vinden ook alle anderen: hij heeft het meeste geld opgehaald, en wel van de poenerige klootzakjes, die eerder niet aangepakt konden worden. Hij heeft er in zeer korte tijd voor gezorgd dat ze hun zakken moeten legen.
Wie was de minst succesvolle CDA-bewindspersoon? Dat wordt kiezen tussen: de staatssecretaris van defensie en de minister-president. Die van defensie, dat is wel duidelijk: die kan zijn hand niet op de knip houden.
De minister-president is al jaren een geval apart. Dat is een man die verguld een Witte Huis binnenloopt, en die mij dus een schaamtegevoel toebrengt om een Nederlander te zijn. Die ook al jaren lang niet één serieuze redenering naar voren heeft weten te brengen, niet één serieuze voorstelling van zaken.
‘Nou, maar dat geeft u toch niet helemaal goed aan.’
Dat geef ik wél helemaal goed aan, meneer Balkenende. Uw tijd is echt voorbij. De tijd van het aangeven van dingen, in plaats van gewoon het zéggen van dingen is voorbij.
We zullen u missen, dat is waar, bij de volgende verkiezingen. Uw blijde gezicht vooral. Uw heldere taal: ‘Wij komen er wel!’ of ‘Daar staan wij voor!’
Maar wáár staan wij voor, als CDA? Ik heb geen idee, en u hebt daar ook geen idee van. Het zou beter zijn als u zich terugtrok, en plaatsmaakte voor meneer De Jager. De beste persoon.

donderdag 18 maart 2010

229. Ik zal het doorgeven

Het was als volgt en ik lieg geen letter. Er stond een man aan de deur, donker gekleed, vanochtend te 08.02 uur. Een politieman. Ik doe open, hij vraagt: ‘Meneer, wij zoeken een persoon van ongeveer 12 jaar.’ Ik zeg: ‘Die woont hier niet.’ ‘Echt niet?’ vraagt hij. ‘Echt niet,’ zeg ik.
‘Mogen wij ook bij u binnen kijken?’
‘Uiteraard,’ zeg ik. En ik doe de deur open.
Er komt een colonne van politieagenten mijn huis binnen, ik denk meteen: dit is een moordonderzoek. Ze halen ook mijn hele huis overhoop, mijn boekenkasten, mijn keuken.
‘Nee,’ zegt één van die agenten, ‘hier niet!’
Kijk, ik wil best meewerken aan een moordonderzoek. Uiteraard. Ze halen de boel maar overhoop. Er waren ook twee honden bij, met wie ik het overigens meteen goed kon vinden (honden zijn altijd gemakkelijker om contact mee te hebben dan mensen), en dit waren honden van het Duitse ras ook nog. Mijn favoriete hondenbeesten.
Maar dit geschiedde dus in Egmond aan Zee. Niet in Dordrecht, waar een Milly is vermoord, door een politieagent. Waar niet onmiddellijk een onderzoek is opgezet naar ‘een buurman’. Als u nu een agent was geweest, en u hoorde dat. Zou u niet direct naar een buurman hebben gezocht? Natuurlijk.
U zou hebben gezocht en gevonden. Een Amber Alert zou u onnodige moeite hebben gevonden.

woensdag 17 maart 2010

228. Ruimte voor ander stadsnieuws

Zoals bekend is het landelijke Dirkswoud van 1174-77 een stad geweest. Het gemeentehuis wordt nog steeds het stadhuis genoemd. Als de Dirkswoudenaren gaan winkelen in hun dorp, noemen ze dat ‘statten’. De Dirkswoudenaren zijn een trots volkje, dat prat gaat op die drie jaren stadsrechten, ook al is het bijna een millennium geleden.
Wethouder Broeksma is nu, samen met veertig enthousiaste Dirkswoudenaren, naar Den Haag getogen om op het Ministerie van Binnenlandse Zaken te ijveren voor hernieuwde stadsrechten. Het is niet het handigste moment, want het kabinet is demissionair, en wie weet is het een discutabel onderwerp in de Tweede Kamer. Broeksma zal minister Hirsch Ballin zeggen: Bronkhorst en Sloten zijn ook steden in Nederland, waarom wij dan niet, Ernst? Dirkswoud is groter dan die twee bij elkaar, kijk maar in je atlas.
En inderdaad, met een vergrootglas zijn Sloten en Bronkhorst nog wel te onderscheiden, maar Dirkswoud is met het blote oog al te zien.
Vanavond zullen we het horen van Broeksma, als hij terugkomt. Hij zal het bekend maken in zaal Viereling, Noordvaart 302. Er wordt een avond georganiseerd met muziek (het combo De Gruizige Jongens) en dans.
Er is even telefoon.
- Ja? Met Hoogeboom.
- Broeksma hier. Ik heb met Hirsch Ballin gesproken...
- En? Wat zei hij?
- ... We zijn een stad, jongen!!!
- Dat is mooi, Broeksma! Geweldig gefeliciteerd! Ik zal het doorgeven.

dinsdag 16 maart 2010

227. Laat ze maar

Het gáát . . . om de jeugd. De toekomst van ons váderland. Toch? We moeten ons niet laten wegzakken in een modderpoel, meneer. Wij moeten onze jeugd beschermen! Onze jeugd is ons álles!
Máár, dat vercriminalioseert steeds meer, onze jeugd. Met jeugdbendes op stráát. Dus ons hele leven wordt een stuk onvéiliger, ziet u wel? Straatterrioristen en ga zo maar door, waar we als Néderlandse gemeenschap steeds meer last van krijgen. Jawel.
Want ze zeggen wel, die rotjongens, geef ons een clubhuis met een biljart, maar nee hoor, als je ze een clubhuis geeft, dan komen ze daar nooit! Ze gaan gewoon door met hun straatterreur, niet dan? Laatst nog, werd er een ruitje ingegooid bij mijn buurman’s schuurtje. Ik zeg: dat is weer zo’n voorbeeld van straatterriorisme! Dat zeg ik tegen mijn buurman, dus ik zeg: bel de plisie! Dus dat doet hij, zegt de plisie: daar hebben wij geen priaoriteit voor!
Wel! Nu vraag ik u, heren verslaggevers! Priaoriteit of niet, er moeten heren van de Hermandáád voor de deur staan, zou ik zeggen, om de schoften op te pakken en te bestraffen!
Vroeger, meneer, toen was het beter. Toen had je de nozems en de provo’s en mijn broer Henk was van de plisie. Wat hij vertelde over die strijd, die daar gaande was! God god god, een mooie tijd was dat. Toen was er nog aandacht voor het wettige gezag, toen durfde je niet ‘Klootzak’ te roepen tegen een agent, of hij nu in burger of in uniform was. Dat deed je niet! Want je kreeg meteen een enorm pak rammel!
Toen had de plisie geen behoefte aan priaoriteiten en toen was er ook geen straatterriorisme, vanzelf. De plisie trad op! Maar nu? Men loopt wel langs je deur, héél soms, maar ze treden niet meer op tegen de jeugd! Het áfval ook wat de jonge heren democraten achterlaten! En dat wij elke ochtend weer moeten opruimen. Ja, elke ochtend weer! Dat doen wij zelfstándig, maar (ruimte voor ander stadsnieuws).

maandag 15 maart 2010

(Pauzebericht:) Michel-Jean Dupierris

Dupierris is een fotograaf met een voorliefde voor het verval in Europese steden: Parijs, Londen, Straatsburg, Brussel, Lyon etc. Hij exposeert hier en daar, publiceert in Le Monde en ook hier.

226. Je kunt me maar één keer beledigen

De zin uit de titel heb ik in mijn leven nooit uitgesproken, met of zonder uitroepteken. Ik wil niet zeggen dat het prima is als mensen mij beledigen (u mag mij uitschelden, hoor, scheldt u voluit), maar uiteindelijk doen die beledigingen me niets.
Ze weerleggen niets van wat ik beweer.
Beweer ik zoveel? Nou, nee. Wilders bijvoorbeeld, daarover beweren nog wel duizend mensen iets. Neem Gerrit Komrij die vanavond op Facebook de zeer verstandige opmerking plaatste: ‘Alle antisemieten stemmen op Wilders; wat moet Israël met zo’n man?’ To the point, niet?
Ik kan me goed voorstellen hoe Gerrit, rustig afwachtend en een glaasje port appreciërend, zat te grijnzen totdat de antwoorden kwamen. En juist. Juist de Jode stemme Wilders!, riep iemand. Grijns. ‘Charles, we zijn niet voor niets uit dat bedompte moeras vertrokken!’
Nu over naar het landelijke Dirkswoud, waar de verhoudingen toch anders liggen. Is mij althans gebleken. Daar heeft zich de afgelopen weken een discussie ontspind over de vraag of het woord althans niet als altands zou moeten worden gespeld. U begrijpt: weken van gesprekken op de redactie van De Dirkswoudenaer en op de zetterij. Mensen waren ervoor en mensen waren ertegen.
Ik heb uiteindelijk de knoop doorgehakt en gezegd: althans. Dus dat blijft het in De Dirkswoudenaer. Maar je hebt nog steeds mensen die tegen mij zeggen: ‘Alt Hans, hè! D66!’ Ik heb wel geprobeerd uit te leggen dat het geen politieke reden had, maar je kunt zulke mensen niet bereiken, is mijn ervaring. Ze gaan dus schelden en beledigen. Laat ze maar.

zondag 14 maart 2010

225. Dat is de toekomst

Op Facebook wordt soms ook eigenaardig gereageerd. Het is lang niet zo erg als op Twitter. Op Facebook zitten minder mensen van de lagere klassen, minder Wilders-liefhebbers. Vandaar dat ik me op Facebook beter thuisvoel. Ik heb bijvoorbeeld al een vraag aan een Zuidkoreaanse kunnen stellen, die zij ook uitstekend heeft beantwoord, over de Zuidkoreaanse familienamen (Kim, Lee, Park). Daar zijn er niet meer dan 200 van (dus heel weinig, zou ik denken), zij heet Jang, want haar voorvader emigreerde een paar eeuwen geleden van China (Zhang hetende) naar Zuid Korea. Aan zo’n antwoord heb je iets.
Ik heb nog gevraagd naar de keuze van de voornamen van de kinderen, hun eigenlijke namen dus. Daar heb ik nog geen antwoord op gekregen. Kiung-Chuk Lee is zo’n naam. Wat betekent Kiung-Chuk, vraagt een westerling zich af.
Mijn meeste vrienden (zo heet dat bij Facebook, bij Twitter zeggen ze, redelijker, volgers) mijn meeste vrienden zijn Vlamingen. Eén van die vrienden is (ik verbaster zijn naam nu) Pieter de Graz. Hij zet geregeld zeer aangename video’s van onverwachte muziekjes op Facebook, en het laatste muziekje was een stukje Patti Smith, opgenomen in Engeland in 1976 of ’77.
Daar reageerde ik op, zeggende ongeveer: waarom heeft die mevrouw een zonnebril op? Daar reageerde Pieter op door te zeggen: dat is het raadsel van de jazz. Daar reageerde ik weer op door te zeggen, ongeveer: maar zou die Patti Smith geen gebruikster zijn van cocaine?
En daar reageerde hij weer op door te zeggen: ‘Go home, sucker.’
Ronduit een belediging dus. Ik heb daar maar niet op gereageerd. Ik heb me wel voorgenomen, dus kijk uit, Pieter!, om dat soort beledigingen voortaan niet ongestraft voorbij te laten gaan.
Ik verwacht eigenlijk een klein excuusje van Pieter. Je kunt me maar één keer beledigen.

zaterdag 13 maart 2010

224. Dan krijgt hij wat hem toekomt

De loslippigheid van enkele schaakleden (Kees! Karel!) heeft er helaas voor gezorgd dat Jaap Durgerdam lucht heeft gekregen van ons voorstel van gisteren.
Ik heb Jaap natuurlijk bezworen dat er geen sprake zou zijn van enige competitievervalsing what so ever. Uiteraard niet, zei ik hem, van vals spelen is nooit enige sprake geweest in Pat Mat. De sterkste speler wint, altijd! Ik hief de beker ook omhoog die we van de beide burgemeesters van Schagen en Hoorn hebben gekregen voor ons fair play in het regionale schaakspel.
Het overtuigde hem tenslotte, na een kopje koffie met een appelpunt met zeer veel slagroom, maar het was kantjeboord.
Dus, leden: denk om wat u zegt in het openbaar! Laat u niet gaan, ook niet tijdens dronkenschap! Vooral dat laatste zal u misschien moeilijk vallen (Kees!), maar wat moet, dat moet.
Ik zal het nog één keer uitleggen, leden. U ontvangt voor twee partijen (waarvan één tegen Jaap Durgerdam) één punt. Als u tegen Jaap wint, dan hebt u dat ene punt en dan verliest u dus uw volgende partij. Als u tegen Jaap verliest, dat wint u uw volgende partij, en heeft u óók één punt. Speelt u remise tegen Jaap, dan speelt u uw volgende partij óók remise. Samen: één punt.
Dat spreken we af.
Het is zaak niet al te uitvoerig toneel te spelen. Dus niet uit te roepen aan Jaaps bord: ‘Godverdomme! Alweer een remise!’ of ‘Jaap, hoe heb je me dit kunnen aandoen!’ Gedraag je alsjeblieft waardig, accepteer je verlies met een treurige handschudding, en doe niet alsof je iets gepresteerd hebt als je gewonnen hebt. Dat is echt de beste manier voor ons Pat Mat, waar Jaap een zo grote rol in speelt. Dat is de toekomst.

vrijdag 12 maart 2010

223. Als Jaap ermee stopt

Wij, van Schaakvereniging Pat Mat uit Dirkswoud, zitten ermee in onze maag. Wij hebben een lid, Jaap Durgerdam, die aan het eind van de competitie steevast op de laatste plaats staat. Hoe komt dat? Doordat hij betrekkelijk dom speelt. Met wit speelt hij onveranderlijk de MacLeod Aanval (1. e4, e5 2. c3) en dat weten al zijn tegenstanders. Met zwart speelt hij de Lopez-variant van de Philidor Opening (1. e4, e5 2. Pf3, d6 3. Lc4, f5) en dat weten ook al zijn tegenstanders. Dus hij verliest bijna al zijn partijen, al negentien jaar lang.
Ook al negentien jaar lang verschaft Jaap de vereniging de gelden die nodig zijn om de huur van een zaal te bekostigen, week in week uit, bij Zalencentrum Verbiest, Noordvaart 133.
Wij kunnen Jaap dus niet missen. Maar Jaap begint nu tekenen van onrust en chagrijn te vertonen, en dat is ook logisch: hij wint nooit een partij. Hij eindigt de competitie steeds onderaan. Is daar iets aan te doen? Jawel.
Ik heb alle leden, behalve Jaap, een uitnodiging doen toekomen voor een avondje overleg in café De Oever, Noordvaart 179. Ik zal de leden een eenvoudig systeem van competitievervalsing voorleggen, waardoor Jaap aan het einde van de competitie ongeveer in het midden zal komen te staan, zodat hij het idee heeft dat hij meedoet.
Hoe doen we dat? We hebben een kleine dertig leden, die in een competitiejaar allemaal één keer tegen Jaap spelen. We spreken van tevoren af wat je gaat doen tegen Jaap: winnen, verliezen of remise maken. En wat je de volgende week tegen een andere tegenstander gaat doen: winnen verliezen of remise maken. Je haalt in totaal in die twee partijen allemaal één punt. It’s as simple as that.
Dan schrijf ik de stukjes in De Dirckswoudenaer, waarin ik zinnen als ‘de opmerkelijke opmars’ van Jaap gebruik, ‘de verrassende overwinning van de heer Durgerdam op voormalig kampioen Van der Graaff’, ‘het openingensysteem van de heer Durgerdam begint zijn vruchten af te werpen’ enzovoorts. Dan krijgt hij wat hem toekomt.

donderdag 11 maart 2010

222. Ik huilde alleen maar

Vanochtend was mijn broer Jaap er. Hij is een jaar of drie jonger dan ik en hij is van een snel uitstervend ras, hij is een ouderwets goede loodgieter. Wat hij niet weet over verwarming, isolatie, water en dakbedekking, is de moeite van het weten niet waard.
Ik heb een oude Fasto keukengeiser, die ‘het niet meer deed’, zoals ik hem gisteren telefonisch mededeelde. Hij gaf geen warm water meer.
‘Maar verder is alles goed?’ vroeg hij. ‘Ik kom morgenochtend.’
Het was een klein klusje, merkte ik. Jaap ontdekte de hoofdtoevoer van het water, die hij afsloot. Hij haalde de geiser van de muur af, totdat hij bij het membraan was, dat hij eruit haalde en mij liet zien: ‘Kijk, het euvel. Er zit een scheurtje in.’ Hij zette er een nieuw membraan in, en de geiser werkt weer prima.
‘De moderne loodgieter heeft geen apparatenkennis, hè,’ zei hij. ‘Die zegt: mevrouw, uw geiser is versleten. En die plaatst er doodgewoon een nieuwe geiser in. Ik niet.’
Jaap heeft het vak geleerd bij mijn vader, Wim Hoogeboom, die jarenlang ‘de loodgieter van Limmen’ was. Ook al zo’n vakman, maar toen was dat nog gewoon. Mijn vader is, veel te vroeg, in 1983 overleden aan een hersenbloeding. Het was een treurige tijd, ik was 29 jaar oud, en ik had last van depressies, ging naar psychiaters en kreeg allerhande medicamenten. Ik heb ook Anafranil gehad, net als Mike Boddé. Bij mij deed het niets.
Jaap heeft daar nooit last van gehad. Hij nam het bedrijf van mijn vader over. Hij heeft een zoon, die nu nog bij het Bergense bedrijf Locas werkt. Die zoon zal ongetwijfeld het bedrijf overnemen, als Jaap ermee stopt.