dinsdag 27 juli 2010

263. Zeg maar wat ik moet schrijven

Ik kan nu niet slapen, het is kwart voor vijf in de ochtend. Niemand is nog op, de vogels zijn ook nog niet wakker, maar die verwacht ik straks wel. Ik heb de hele nacht wakker gelegen met dit probleem: hoe kan het dat ik in de jaren zestig van de vorige eeuw een fan werd van de Beatles, de Stones, de Who?
Terwijl er op hetzelfde moment veel interessanter muziek werd gemaakt. Miles Davis, John Coltrane. De muziek van de Beatles enzovoorts, dat was kinderspel als je het vergelijkt met Miles Davis.
Hoe kan het je dus zijn ontgaan? Je kunt zeggen: het kwam nooit op de radio. Maar dat is mij een te eenvoudige verklaring. Hoe kan het dat je de drummer van de Who zo vreselijk goed vond, terwijl er in de jazzmuziek wel honderd rondliepen die beter waren?
(De eerste vogels beginnen nu melodieën te maken, kwart over vijf.)
Hoe kan dat? Het kan natuurlijk zijn dat je toen, op 14- of 15-jarige leeftijd, alleen maar behoefte had aan luide, duidelijke, simpele muziek. Aan kinderachtige muziek. Want daar hielden ook al je leeftijdgenoten van. Je wilde geen outcast zijn.
Ik denk dat het toch iets anders zit. Ik houd al meer dan dertig jaar van klassieke muziek, maar ik kan Mozart niet uitstaan. Ik houd eenvoudig niet van zijn geteem en zijn gepriegel. Geef mij maar Bach, of desnoods Händel.
Maar zelfs Bach en Händel en Zelenka verbleken voor mij bij de echt groten: Byrd, Tomkins, Ockeghem, Dufay. Laat The Tallis Scholars op een podium klimmen, laat ze zingen, en ik ben echt gelukkig!
Het heeft te maken met een wijder uitzicht, geloof ik. Mick Jagger kan niet op tegen Miles Davis. Haydn kan niet op tegen Guillaume Dufay. Dat weet je eerst niet, maar zo is het wel. Dat weet je later pas. Dat leer je.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen