maandag 26 juli 2010

262. ‘Kom toch binnen, meneer!’

Van 1983 tot 1998 heb ik gewoond in een zomerhuisje dat achter een boerderij stond te Egmond aan den Hoef. Het is 4 kilometer vanwaar ik nu woon. In die boerderij was toentertijd Galerie Wimmenum gevestigd. In 1998 is die galerie opgeheven en is de boerderij verkocht aan een of andere chirurg. Ook ik moest uit mijn zomerhuisje, zo gaan die dingen.
Eigenaar van Galerie Wimmenum was Pieter Pop. Hij kon niet lezen of schrijven en dat was wel wat lastig. Hij kon wel met getallen overweg, maar lezen en schrijven had hij nooit op school gehad. In juni 1984 kwam Pieter naar me toe. Hij zei dat hij een maandblad wilde maken. Kon ik daar niet iets voor schrijven? Ik zei: ja hoor. Zeg maar wat ik moet schrijven, en dan schrijf ik dat. Het draaide er op uit dat ik een jaar of zes lang elke maand dat blad in elkaar zette en volschreef. Dat deed ik ’s avonds, op de drukkerij waar ik toen werkte.
Ook paste ik af en toe op de winkel, zoals ik het noemde, als Pieter iets moest halen of brengen. Ik raakte bekend met allerlei kunstenaars en könstenaars, als u begrijpt wat ik wil zeggen, en kocht ook een aantal schilderijen, tekeningen en etsen, die nog steeds bij me aan de wanden hangen.
Op een zaterdagmiddag paste ik weer eens op de winkel. Pieter had gezegd dat er een kunstenaar zou langskomen, ene Gerard van der Weert. Die moest ik maar opvangen, Pieter zou over twee uur terug zijn. Ik houd wel van dat soort eenvoudige klusjes, er hing bovendien mooi werk van Suzanne Bijl in de galerie. Ik herinner me een olieverfje dat ‘Daphne, dansend’ heette. Een verkeerde titel natuurlijk, beter is ‘Daphne danst’. (Over de betiteling van kunstwerken kom ik nog wel eens te spreken.)
Het regende hard buiten. Er was weinig bezoek. Op een gegeven moment komt er een totaal verregende man het erf op. Hij weet niet waar hij moet zijn, dus ik open de deur en zeg: ‘Kom toch binnen, meneer!’
‘Nee nee,’ antwoordt hij.
‘Bent u de heer Van der Weert?’ vraag ik.
‘Ik?’ vraagt hij terug.
‘Ja, u.’
‘Ik ben Gerardus van der Weert, ja.’
‘Ik moest u opvangen van Pieter Pop.’
‘O. Dat verandert de zaak!’
Hij kwam met Pieter overleggen over de prijs van een tentoonstelling. Ik kan me zijn werk niet meer herinneren, hoewel ik er nog over geschreven heb. Een könstenaar dus.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen