donderdag 16 februari 2012

328. Je moet lachen in het leven, jongen!

De beste roman van George Orwell is, naar mijn smaak: Coming up for air uit 1939 (het is in 1971 voortreffelijk vertaald door Gerrit Komrij als Happend naar lucht). Hoofdpersoon is een dikzak, George Bowling, getrouwd met Hilda. George gaat naar zijn geboorteplaats in de provincie en gaat dan weer terug naar zijn vervelende Hilda. Dat is het verhaal, maar het is van de eerste tot en met de laatste zin zo goed geschreven, dat je af en toe in de lach schiet. Als je het uit hebt, denk je, net als bij een boek als Pnin van Nabokov: als ik een roman zou schrijven, zou hij hier op moeten lijken. Professor Pnin is trouwens ook een gezet mannetje. Andere schrijvers die het kunnen, zijn bijvoorbeeld Stefan Themerson (Hobson’s Island) en Georges Perec (La disparition).
Dat is dus mijn smaak in de letteren. In de beeldende kunst is mijn smaak niet anders: ik houd ervan om een beetje voor de gek te worden gehouden. Vladimir Gvozdev lukt dat bijvoorbeeld aardig.
Maar in de muziek ligt dat helemaal anders. In de muziek mijd ik alles wat naar vrolijkheid zweemt, ik moet niets hebben van opgewekte pingelaars zoals Chopin of Mozart. Als ik moet kiezen tussen Bach of Händel, kies ik onvoorwaardelijk voor de eerste, hoewel de laatste ook wel dingen heeft geschreven (bijvoorbeeld zijn orgelconcerten en concerti grossi) die ik mooi vind.
Er heeft me eens iemand gezegd dat dat een zelfde keuze is als tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daar ben ik het niet mee eens: ik vind beide testamenten ongeveer even slecht geschreven, en ik kan me ook niet voorstellen wat er omgaat in de hoofden van mensen die dat soort boeken in ernst lezen. Dat er ooit iemand geloof heeft kunnen hechten aan wat er in die boeken staat, ontgaat mij helemaal.
Muziek moet mij niet aan het lachen brengen, muziek moet mij droevig stemmen. De muziek van ca. 1450 tot  en met Bach (1750) – dat is de periode waarin ik een beetje thuis ben – geeft mij precies die stemming. Ik bedoel niet de troubadours en minstrelen en Frans Bauers, die met hun vedels en schalmeien door de wereld trokken. Ik bedoel de muziek van componisten die zich aan de kerk verbonden of aan enig hof (dat waren hun mecenassen, andere lui met centen bestonden toen nog niet), en die daar hun ‘ernstige’ muziek maakten. Er zijn zelfs uitvoeringen van Tu es Petrus (Gij zijt Petrus) in mineur geschreven, en dat zijn betere stukken dan de galmende uitvoeringen die je tegenwoordig hoort bij de inwijding van een paus.
In de moderne muziek heb ik ook liever de meer droevige componisten: Galina Oestvolskaja of Olga Neuwirth.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen