zaterdag 1 september 2012

1968

In 1968 was het – 1968 was het jaar waarin de Mammoetwet in werking trad, de Fabeltjeskrant voor het eerst op de televisie verscheen, Tsjechoslowakije werd overvallen door de Russen, zonder dat wij er iets tegen deden (wij gooiden liever bommen op Vietnam, maar wij hadden natuurlijk tegen de Russen moeten zeggen: trek je binnen 24 uur terug, anders ben je Moskou en Sint Petersburg kwijt), het was ook het jaar waarin Neal Cassady en Joeri Gagarin overleden, Marcel Duchamp stierf ook in dat jaar, maar gelukkig stierf ook Lou de Palingboer – in 1968 was het dat ik mijn vader vroeg: ‘Mag ik straks studeren?’ Het was nog lang niet zo ver, want ik was nog maar 15 jaar oud, maar je kon er niet vroeg genoeg bij zijn, vond ik. ‘Wat wil je dan gaan studeren?’ vroeg hij. ‘Nederlands,’ zei ik. ‘Maar dat spreek je al!’ Het leek hem verspilde moeite. Later heb ik hem nog geprobeerd over te halen met ‘Geschiedenis’, maar ook dat haalde niets uit: geschiedenis hoefde helemaal niet bestudeerd te worden, dat kon je wel in je avonduren doen.
Ik moest maar aan het werk gaan als ik achttien was, en geld verdienen en dan kon ik altijd nog gaan studeren, want dan betaalde ik het allemaal zelf. Ik was thuis de oudste van negen kinderen, dus dat kon ik wel begrijpen: mijn vader was een zelfstandig loodgieter, hij zou arm geworden zijn als alle negen kinderen gestudeerd zouden hebben.
Als oudste kind moest je alles nog bevechten. Zo was dat toen nu eenmaal. Naar de kroeg gaan en later dan om 11 uur thuiskomen, was er niet bij. Ik deed dat soort dingen toch, natuurlijk, zeker nadat ‘mijn gehele toekomst verpest’ was omdat ik niet mocht studeren aan een universiteit. Op de middelbare school besloot ik ook niets meer te doen: ik las alle boeken die ertoe deden, maar dat waren niet de boeken waar je iets aan had op school. Ik bleef dus een jaar zitten in de vierde klas van de HBS-A: ik kreeg achten en negens voor de talen, maar vieren en vijven voor vakken als Boekhouden en Rechts- en Wetskennis. Huiswerk deed ik niet meer.
Hoe ik uiteindelijk mijn eindexamen heb gehaald, weet ik niet meer. Voor de talen had ik automatisch achten en negens, daar deed ik ook helemaal mijn best niet voor. Ik had uiteraard de boeken gelezen die gelezen moesten worden (met in de marge geschreven opmerkingen zoals Flauwekul!, Grote onzin! en heel soms, zoals in mijn uitgave van Nabokovs The gift, ook Dit klopt!). Hoe het met die andere vakken gegaan is – waarvoor ik de vier weken vóór het eindexamen zo ongeveer nog wat had geleerd – bevindt zich buiten mijn geheugen.
Het was in die tijd nog de gewoonte dat ouders zich niet met de opleiding van hun tieners bemoeiden. Mijn ouders zijn nooit naar de middelbare school geweest om eens van een leraar te horen hoe ik het deed. (Je had toen ook nog niet de idiotie van mentoren etc., die bureaucratie is pas later in zwang gekomen.) We rooiden het zelf wel.
Later ben ik, via wat omwegen, zetter geworden in een paar drukkerijen. Daar was ik vrij goed in, in dat vak. En ik ben gewoon blijven doorlezen, natuurlijk. Ik heb een goed leven gehad.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen