maandag 26 maart 2012

347. Ik ben niet atletisch gebouwd

Het spectaculaire nieuws van gisteravond heeft godzijdank de nationale pers nog niet gehaald: het aanspoelen op het strand van Egmond aan Zee van de Japanse keizersboot, of hoe ze zo’n boot ook noemen. Die boot was tijdens de tsunami van vorig jaar naar open zee gedreven, had zijn bemanning verloren en was: a) via het Panamakanaal, b) via Kaap Hoorn, maar waarschijnlijk dus c) via de Beringstraat, en verder via Noord-Canada dat tegenwoordig tamelijk ijsvrij is (de opwarming der aarde), en zo langs Engeland naar Nederland gedobberd. In het Engelse Skegness had men al signalen gegeven dat het schip aldus varende was, en zo stond ik op de eerste duinenrij om het keizersschip te verwelkomen.
Ik ben geen atletisch persoon, maar ik was er als eerste bij toen het schip op het strand liep. Ik belde Reijer Zwart, mijn goede vriend, om ook eens te komen kijken. Reijer zat in de kroeg en zei: ‘Oké.’ Hij kwam drie kwartier later. Dronken, bijna.
Ik zal u zeggen wat ik als gelegenheidsjutter zoal gevonden heb: een sjaal van de keizer (oorspronkelijk wit van kleur) en een onderbroekje van ik weet niet wie. Verder was er eigenlijk niets te vinden, ik heb bijvoorbeeld geen geld kunnen vinden, en in de keuken van het schip (ik weet niet hoe je een keuken op een schip noemt) bevond zich geen keizerlijk bestek of zoiets. Dat was dus jammer.
Toen Reijer tenslotte aankwam, vond hij een dode papegaaiduiker op de voorplecht. ‘Die ligt er nog niet zo lang, Ben. Kijk, zie je zijn grijze kop en zijn niet zo kleurige snavel? Dat is zijn winterdracht.’ Hij pakte de dode vogel op en wierp hem met een grote boog de zee in. ‘Waarschijnlijk is deze boot langs de Schotse kust gevaren...,’ opperde hij.
Ik had genoeg van het zoeken naar Japanse dingen, maar Reijer ging eens kijken in de stuurmanshut. Daar bleef hij wel een half uur lang, terwijl ik een Drummetje draaide en oprookte op de voorplecht. ‘Reijer!’ riep ik, ‘ik ga naar huis, hoor!’ Ik hoorde slechts wat gekraak en geschuur van houtdelen. Toen Reijer tevoorschijn kwam, had hij onder zijn dikke trui een houten plaat of iets dergelijks. Hij zei: ‘Niets te vinden, Ben. Helemaal niets. Jammer, vind je ook niet?’
Ik ben er vanochtend nog eens geweest, maar toen stonden er al mannen van de Reddingsbrigade om het gestrande schip. Ik mocht het schip niet meer op, want dat was, om een of andere duistere reden, nu in hun handen geraakt. Ze praatten honderduit over hun ‘vondst van de eeuw’. Tegen zoveel gepraat kan ik niet op, dus ik heb ze maar niet verteld wie het schip had ontdekt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen