maandag 16 juli 2012

Er heeft zich een zoon gemeld

Erik Greveling zaliger (over wie deze stukjes gaan) blijkt een zoon te hebben: Dawid Brzinsky. Zijn moeder, Agnesz Brzinsky, is 55 jaar, ze woont in Amsterdam, ze werkt als bibliothecaresse aan de bibliotheek van de UvA. Aan dezelfde universiteit studeert de 21-jarige Dawid medicijnen. Hij wil huisarts worden. Ik had de twee wel gezien tijdens de crematie van Erik, maar had verder niet nagedacht over hun aanwezigheid.
Gisteren kwam Dawid op bezoek bij me. Zijn moeder had 22 jaar geleden een korte affaire gehad met Erik, ‘want ze wilde een kind, and here I am’ zoals Dawid me zei. Ten bewijze van een en ander liet hij me een stel foto’s uit 1990 zien van Agnesz en Erik, romantisch samen op een Amsterdamse kermis, lopend op het Damplein, elkaar kussend op het Rokin etc. Hoe hadden ze elkaar ontmoet? Er was nog geen internet, dus Agnesz had een advertentie gezet in de Volkskrant (‘Gezocht: man voor even’) en daarop had Erik haar geschreven. Dat ‘even’ heeft ruim twee maanden geduurd, in die twee maanden was Dawid verwekt en Agnesz zei bedankt en ga nu maar weg. Hij had haar nog wel geregeld brieven geschreven en zij hem ook, maar ontmoeten zouden ze elkaar niet meer.
Op 2 juni, de dag van zijn zelfmoord, had hij nog wel een laatste brief verstuurd, die Dawid me ook liet lezen. Er stond in te lezen: ‘Op de avond van deze dag maak ik er een einde aan. Ik ga in de zee staan, raak onderkoeld (ik heb hartklachten) en ben dan binnen 15 minuten dood. Vaarwel!’ Toen Agnesz die brief op 3 juni ontving, heeft ze onmiddellijk de politie van Egmond aan Zee gebeld en die heeft Eriks lijk uit zee gehaald.
Ik pakte het nummer van Maatstaf tevoorschijn, waarin Erik in 1972 zijn verhaal Het sociale leven van de muilezel had gepubliceerd. Dawid kende het nog niet en las het, bijna met tranen in de ogen. ‘Hij was een allenige man, maar hij was ook een van de vriendelijkste mensen die ik heb gekend,’ zei ik hem. ‘Als iedereen zo was als hij, dan was er nooit oorlog.’
Daarna gingen we naar Eriks huisje in de duinen, want dat wou Dawid zien. Ik legde uit wat ik had gedaan met de spullen die er in hadden gestaan en dat ik had gezocht naar verdere manuscripten, maar er niet één had gevonden. ‘Ik denk dat ik weet waar ze moeten zijn: in zijn keverboeken!’ zei Dawid. We gingen dus naar de Oud-Katholieke mevrouw van het boekenstalletje, we legden het haar uit en mochten haar opslagplaats in, waar stapels boeken stonden, van de vloer totaan het plafond. Er stond ook een stapeltje schaakboeken, die  hadden toebehoord aan een oude Egmonder die kortelings was overleden. Ik heb gelukkig altijd wat geld op zak, en ik kocht dus twintig van die boekjes voor maar 10 euro.
In de keverboeken bleek geen enkel verhaal te zitten, Dawid was even teleurgesteld als ik, maar hij mocht tien of vijftien van die keverboeken gratis meenemen. ‘Dan blijft mijn vader toch een beetje leven.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen