donderdag 12 juli 2012

Natuurlijke historie

Op mijn twaalfde jaar ging ik naar het katholieke Petrus Canisius Lyceum te Alkmaar, dat inmiddels van naam is veranderd en nu het Petrus Canisius College heet. Omdat dat moderner is, ongetwijfeld. Ik had inmiddels een gezonde afkeer van het katholicisme ontwikkeld. De pastoor in onze parochie had namelijk de gewoonte om zijn preek zo te beginnen: hij legde zijn handen voorzichtig voor zich neer op de preekstoel, hij boog zijn hoofd, keek vervolgens alle mensen aan en zei dan: ‘Beminde gelovigen.’ Of: ‘Beminde parochianen.’ Op zo’n zangerig toontje, dat me steeds weer door de ziel sneed wegens de leugenachtigheid: van alle parochianen waren er misschien heel aardige, maar ook enkele zeer onaardige, zoals slager Snel, die jongens van Pauw, die altijd zo schreeuwden, of mevrouw Kuilman, die door geen mens ter wereld zou willen worden bemind. Toch zei die pastoor week in week uit: ‘Beminde parochianen.’ Huichelaar, dacht ik steeds.
Aan heel die enge wereld ontsnapte ik op mijn twaalfde jaar: ik ging naar de middelbare school in Alkmaar, die ook wel katholiek was, maar je kon er tenminste iets leren: Engels, Frans, Duits, Latijn, algebra, meetkunde, scheikunde, natuurkunde etc. Dingen dus die ik op de Lagere School (die tegenwoordig Basisschool wordt genoemd, ook omdat dat uiteraard moderner klinkt, net zoals een Kweekschool later Pedagogische Academie ging heten) nooit had gehad.
Ik kreeg ook het vak Natuurlijke Historie (‘natte his’), dat even later – in 1968, drie jaar nadat ik naar de middelbare school ging – Biologie ging heten. Klinkt ook een stuk moderner, zoals u inmiddels wel heeft begrepen. In 1968 werd de Mammoetwet ingesteld, maar ik heb het laatste eindje van het goede, oude onderwijs nog meegemaakt: de tijd dat een leraar nog liefdevol kon vertellen over zijn specialisatie. Niemand die hem daarover lastig viel. Mijn leraar Natte His was de heer Stavenuiter, een scharminkel van een man, die de klas binnenkwam, ging zitten aan zijn bureau en dan direct begon te klagen: ‘Mijn God! Wat een dag, dit houd ik niet lang vol!’ of ‘Mijn zenuwen begeven het bijna!’ of ‘Wat gruwelijk! Dat een mens dit moet doen!’ Wij kinderen haalden het niet in ons hoofd om te ‘keten’ (ik weet niet of de tegenwoordige jeugd dit werkwoord nog kent) want we hielden teveel van meneer Stavenuiter, het zou teveel van hem hebben gevergd.
Zijn specialisatie was: de krab (de brachyura, dat betekent: kortstaartige). Hij kon over krabben zo smakelijk vertellen – we zouden de heer Stavenuiter nu een ‘krabbenfluisteraar’ noemen – dat ik nog steeds meer weet over de krab dan menigeen. Ik eet ook geen krabbenvlees, hoewel het heel lekker moet zijn en gezond.
Toen ik een jaar of dertig was, ontmoette ik de heer Stavenuiter eens in Egmond Binnen. ‘Zo, meneer Hageman!’ ‘Nee, Hoogeboom,’ corrigeerde ik hem. Hij zei dat hij vijfentwintig jaar eerder eens in de war was geweest en toen ging wonen in het klooster van de Broeders Benedictijnen. Daar beviel het hem zo goed dat hij er was blijven wonen. Hij was toen al leraar af, en werkte nu in de kaarsenmakerij van het klooster. Hij vertelde ook dat hij in zijn laatste jaar als leraar de postbode van Egmond aan Zee had ontmoet, die vreselijk veel over kevers wist. Hij had die postbode overgehaald eens iets te komen vertellen in zijn uren Natte His, en dat had hij gedaan. ‘Hij zou een geweldige leraar zijn geweest,’ oordeelde de heer Stavenuiter.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen