vrijdag 7 augustus 2009

5. Ik was ongemeen getalenteerd

Ik heb op de lagere school (een katholieke jongensschool te Limmen) altijd gedacht: ik moet hier weg. Dit is me te kinderachtig. Teveel herhaling, teveel stupid leerstof. ‘Hoe was het op school?’ vroeg mijn moeder om kwart over vier. ‘Wat weer een dom gedoe!’ riep ik dan uit. Dan ging ik naar boven, om wat te lezen of te rekenen.
Rekenen kon ik al toen ik in de eerste klas kwam, dat had mijn vader me geleerd. Lezen en schrijven heb ik van mijn moeder geleerd toen ik een jaar of vijf was. Toen mijn leeftijdsgenootjes nog met aap, noot en mies bezig waren, las ik de Winkler Prins encyclopedie al. Ik hield een schrift bij waarin ik woorden die ik nog niet kende opschreef. Woorden zoals ulceratie, quiteren, consortium.
Ik haalde negens en tienen, ik was ongemeen getalenteerd, en dat wist ik ook, dus erg geliefd was ik niet. Ik weet nog dat meester Briefjes een aardrijkskundeles gaf (Groningen, Hoogeveen, Sappemeer, veel verder kwam hij niet), en hij mij vroeg: ‘Hoogeboom, wat zit jij te doen?’ Ik zei, geheel naar waarheid: ‘Ik ben iets aan het uitrekenen, meester.’
Ik was bezig met, zoals ik later begreep, een cyclisch getal:
1 x 142.857 = 142.857
2 x 142.857 = 285.714
3 x 142.857 = 428.571
4 x 142.857 = 571.428
5 x 142.857 = 714.285
6 x 142.857 = 857.142
Tot zover vond ik het al prachtig, maar
7 x 142.857 = 999.999
vond ik ontroerend mooi. Ik liet die rekensommetjes later aan meester Briefjes zien, maar die zag er de gein niet van in.
Oké, redeneerde ik, ik ben toch veel slimmer dan jij, met je Hoogeveen.
Later, in de tijd van de depressies, behandelde ik mijn psychiaters en therapeuten met dezelfde slimheid. Het heeft uiteraard niet geholpen, ze zijn even dom gebleven als ze al waren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen