vrijdag 8 juni 2012

Dirkswoud (2)

Eind januari van dit jaar was ik op bezoek bij pastoor Engelbertus de Zeeuw. Hij had de voorkamer van zijn pastorie, die naast de St. Clarakerk staat, goed warm gestookt, want het was buiten gemeen koud. Aan de wanden hingen de gebruikelijke kitscherige katholieke schilderijen, waar al tientallen jaren geen doekje overheen was gehaald, en ook een enorm mansgroot houten kruis. Ik zei, wijzend op het kruis: ‘Maar stel nu dat Jezus overleden was doordat hij een visgraatje had doorgeslikt. Daar was hij in gestikt. Dat zal toch meer voorgekomen zijn in de geschiedenis dan dat je aan zo’n kruis wordt geslagen. Dan zouden alle katholieke vrouwen nu met een bronzen visgraat aan een ketting om hun nek lopen. Niet met een kruisje. Voor processies et cetera gebruik je een walvisbot. Het lijdensverhaal hoef je eigenlijk nauwelijks te veranderen. Je laat Judas aan Jezus dat stukje vis geven: eet maar lekker op, Heer! Het vertelt zich vanzelf verder.’
Daar moest de pastoor wel om lachen, maar hij had een ander verhaal. ‘In maart 2005 had ik er ineens genoeg van, van dat hele katholicisme. Ik moest er eens tussenuit, dus ik zei dat tegen bisschop Punt in Haarlem en die zei: neem maar eens drie weken vakantie. Ik zorg wel voor een vervanger. Die vervanger komt, kapelaan Van Baarle, en ik ga op weg naar Wenen. Daar was ik nog nooit geweest en dat wou ik wel eens zien. Mooie stad, veel paleizen, veel kerken. In één van die kerken trad toen een zanggroep op en die groep heette Cinquecento.’
‘Die ken ik, zes man. Ze zingen stukken uit de renaissancetijd.’
‘Inderdaad. Hou jij van die muziek?’
‘Jazeker! Vooral van de katholieke muziek. Byrd, Tallis, Desprez, Ockeghem.’
‘Cinquecento zong op die middag stukken van Vaet, Willaert en van Clemens non Papa. Ze hadden een Vlaamse polyfonie-middag, zou je kunnen zeggen. En ik was daar zó van onder de indruk... Afijn, ik kom terug in Dirkswoud en je moet weten: vroeger hadden wij een goede organist, Jacob Beers. Die was een paar jaar daarvoor overleden, op 82-jarige leeftijd. Nu was zijn kleinzoon Johan Beers de organist. En die kán het gewoon niet, orgel spelen. Dus ik ga naar Johan toe en ik zeg hem: wij gaan het voortaan zonder orgel doen, sorry, maar helaas. Sindsdien gebruiken we het orgel alleen nog om de beginnoot van een zangstuk aan te geven. Dat doet de dirigent. Je moet maar eens komen luisteren.’
‘Dat wil ik wel doen, maar u zult mij niet kunnen bekeren.’
‘Ach, dat dondert niet! Ik ga trouwens op 2 februari een Maria Lichtmis-processie houden, hier in het dorp. Ik moet nog een stukje schrijven in De Dirkswoudenaer, ik moet Joop (Joop Poeder, de koster – B.H.) nog vragen hoe het staat met de voorraad kaarsen. We lopen dan langs de akkers in ons dorp, die ik meteen ga zegenen, want dat gaat in één moeite mee. Na die processie gaan we met zijn allen naar het Parochiehuis, hier tegenover, waar tien of twaalf vrouwen de pannekoeken bakken. Het wordt nog een heel feest!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen