donderdag 11 februari 2010

194. Vroegere klasgenoot

Parang van der Wal, zoon van een boerenfamilie — ze hadden hem geadopteerd in Indonesië of Thailand — was de enige op de Lagere School met wie ik enig contact kon hebben. Parang woonde aan de oostzijde van Limmen, aan de Achterweg, vlakbij het Stet, het watertje dat Limmen verbond met Akersloot en Uitgeest, en met het Overdiemeer.
‘Stap in!’ zei hij een keer, en ik stapte in zijn roeiboot. We gingen naar het Overdiemeer, waar je, zoals Parang zei, ‘zo mooi alleen kon zijn’. Onderweg wees hij op een stel koeien en zei hij: ‘De karbouwen van mijn vader.’
Het Overdiemeer was inderdaad prachtig, ik genoot vooral van het riet, de rietsigaren en de mooie bloemen overal.
Parang was een zeer slimme jongen. Hij en ik waren de enigen van de zesde klas die naar het lyceum konden. De rest ging naar de Mulo of de Ambachtsschool. Hij had het in zijn hoofd gezet dat hij arts of chirurg wilde worden. Wat ik wilde worden, zou ik nog wel zien. Arts of chirurg zeker niet. Ik zag mezelf eerder als een cabaretier die de kleinere zaaltjes zou bespelen.
We bleven nog twee jaar in dezelfde klas zitten. Daarna koos Parang voor het gymnasium, ik koos voor de HBS. Een paar jaar later liep alles mis. Parang overleed, toen hij zeventien en ik ook zeventien was, aan een hersentumor. Ik kreeg in die tijd met mijn eerste depressie te maken. Ik heb nog lang gedacht dat mijn depressie iets te maken had met Parangs overlijden, maar zulke enorme vrienden waren we nu ook weer niet.
Parang kende een kaarttrucje waar ik maar geen vinger achter kon krijgen: hij liet jou de kaarten schudden, je legde het pak kaarten op tafel. Dan vroeg hij: ‘Welke kaart zal ik eruit halen?’ Je noemde dan een willekeurige kaart — en die kaart haalde hij er ook zeer snel tussenuit. Ik begreep en begrijp er niets van.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen