dinsdag 27 oktober 2009

86. Een kop en een staart

Staart u ook wel eens doelloos zomaar wat voor u uit, zelfs zónder een probleem? Zomaar voor u uit staren. Zonder, zeg maar, een ontbossend Antarctica. Zonder u ergens op te focussen.
Ik heb zonet nog zo gezeten. Ik keek naar buiten, er waren wat vogels. ‘Zit je weer aan je stukje te denken?’ vroeg mijn lief. Ik antwoordde: ‘Ja.’ Maar ik staarde gewoon wat naar buiten. Van dat soort leugentjes wordt een verhouding alleen maar sterker.
Ik geloof dat het een evolutionaire kwestie is: een mens, of een hond of een tijger, moet af en toe de tijd nemen om eens nergens aan te denken. Gewoon wat voor je uit kijken, meer niet. Dan ben je weer sharp als daar om gevraagd wordt. Als er bijvoorbeeld een fijne prooi voorbij loopt (tijger, mens) of als je gezegd wordt: ‘Ga je mee, naar buiten?’ (hond).
Helemáál nergens aan denken, dat lukt je natuurlijk niet, als mens. Zeker niet als u dit stukje hebt gelezen.
Zonet bijvoorbeeld — die vogels, dat waren kauwen, die op het veldje rond de kerk waar ik vlakbij woon, aan het pikken waren naar, ik moet maar raden waarnaar ze op zoek waren. Zaadjes? Wormpjes? — mijmerde ik wat over mijn zedigheid, bijvoorbeeld. Mijn zedigheid in het algemeen, bedoel ik, niet alleen mijn gedrag tussen de lakens. Die moeten trouwens ook weer eens de was in.
Ik stelde de vraag: ‘Hoe zedig bent u?’ En terwijl de kauwen doorgingen met pikken op het grasveld, begon ik te glimlachen. ‘Ik bedoel: u. U allen! Luistert. Gij zijt mijn zusters en broeders! Mijn gezusteren en gebroederten. Maar kunt u in alle eerlijkheid verklaren: ja, ook ik heb zedig gehandeld, in deze of gene kwestie? Vast niet!’ Ik pauzeerde even. ‘Vast niet! Zie eens de kauwen op het kerkveld. Ook zij handelen niet altijd zedig: ze pikken ook naar elkaar, ze vangen de vliegen voor elkaars neus weg. Daarbij kakelen ze ook nog eens kra-kra-kra.’
Toen zei mijn lief: ‘Ben, houd nou eens je kop.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen