donderdag 10 december 2009

129. Het was wat rommeliger

Vroeger schreef ik in de Limmerick, een dorpsblaadje dat niet zoveel voorstelde. Het was een voetbalblad van de RKVV Limmen, dat voorgaf ook ander interessant nieuws voor Limmen te brengen. Ik was een jaar of zeventien, en ik wilde er eens iets in zetten.
Wat kon het zijn, dacht ik. Een artikel tegen de katholieke kerk! Tegen kapelaan Beldrok, de vieze vuilak! Dat moest het worden.
Ik besloot niet het systeem van hoor en wederhoor toe te passen. Ik wilde slechts die katholieke kerk te kakken zetten. ‘Had Jezus niet gezegd,’ begon ik dat artikel, ‘dat in Mijn kerk slechts fatsoenlijke mensen mogen werken? Welnu!’
Ik schreef over pastoor Bangert die eens bij mijn moeder was langsgeweest om haar te vragen of er niet nog meer nakomelingen te verwachten waren, een vraag waarover mijn moeder natuurlijk razend kwaad was geworden, want waar bemoeit zo’n man zich mee.
Het artikel ging vooral over kapelaan Beldrok, die er de gewoonte van had gemaakt de misdienaars voor een H. Mis te kussen en aan het tweede verhemelte te betasten.
Het artikel had ik ondertekend met een pseudoniem (Pierre Perré), want ik wilde er niet al te grote moeilijkheden mee oplopen. Het werd geplaatst, want in die jaren werd alles geplaatst. Het was wat rommeliger dan het nu is.
De zondag nadat de Limmerick was uitgekomen ging ik naar de kerk, en daar preekte pastoor Bangert. Hij ontkende vanaf de preekstoel natuurlijk alles wat er in dat artikel stond, hij was zeer kwaad op de RKVV Limmen, die zomaar zulk een schandschrift had menen te mogen verspreiden en hij wilde ook wel eens weten wie die meneer Perré was, die zulke schandelijke leugens verspreidde over de clerus. ‘Want een mevrouw Perré heb ik nooit zoiets gevraagd!’ besloot hij.
Toen had ik natuurlijk op moeten staan en moeten zeggen: ‘Maar mevrouw Hoogeboom heeft u het wél gevraagd!’ Dat deed ik echter niet, want ik was te laf.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen